Noord + Leeg + Buiten

Eenmaal op de Friese Seedyk leek de wandeling erg op die dag laatst in oktober, langs de Hondsbosse Zeewering. Heel prikkelarm, maar met regen en harde wind. De chef-kok van De Zwarte Haan stond bij de achterdeur van het gesloten restaurant. Hij vroeg ‘hoe doe je dat dan, waar slaap je dan?’ en glimlachte toen ik zei ‘ik vraag bijvoorbeeld een chef-kok of ik achter z’n restaurant kan staan’. ‘Dat vinden de mensen wel best hier denk ik’ zei hij. ‘Of buitendijks’, opperde ik om hem te peilen. ‘Ja, daar komen ze toch niet controleren’. En over de avondklok kon ik duidelijk zijn: ‘om negen uur lig ik echt te slapen’. Ik tapte water uit de tuinslang achter de keuken en liep de dijk weer op, de harde wind in de rug. Een blauwe kiekendief zeilde onder mij langs over de strook riet aan de voet van de dijk. De wadden waren leeg, met groepjes bergeenden.

Het Noarderleech

Iets verderop wijkt de waddenzee voor kwelders die deels ingedijkt zijn in de 18e eeuw: het Noarderleech. Boeren legden in dit gebied dobbes aan, ringdijkjes met een zoetwaterpoel voor het vee. Achter zo’n verhoging zou ik mijn tent opzetten. Mijn angst voor harde wind greep in, en dus liep ik door tot de Duitse observatiebunker die op de rand van de kwelder staat. Rond zes uur ’s avonds zette ik de tent in de luwte tegen de bunker, maar wel zo dat ik bij draaiende wind nog steeds goed zou staan. De typische verschijnselen van ‘dag 1’ waren er natuurlijk ook: de aansteker werkte slecht, de brander waaide uit, en een grondzeil was toch wel handig geweest op deze bodem van verdunde ganzenpoep. De nasi saté was lekker. Ook die hoort al jaren bij de eerste dag.

De volgende ochtend was geweldig. Duizenden ganzen, wolkenflarden en een doorbrekende zon. De wind blies me naar Ferwert, langs de dijk en over heel kleiige akkerranden. ‘Heb je misschien ook koffie?’ zei ik tegen de vrouw van Bakkerij Van der Kloet, ‘want er is verder niks open natuurlijk’. ‘Nee, da’s vanwege Corona’. Ah. Goh. ‘Maar juist vanwége Corona heeft uw collega in Tzummarum een koffiemachientje neergezet’, probeerde ik nog. Geen sjoege. Ik was echt wel blij met de koek, al was die met thee uit de thermos op een koud bankje voor Jellema Tweewielers. Zou ik later een boer om koffie vragen?

‘Het blijft droog vandaag’ had ze gezegd, de lieverd, en dus regende het binnen een half uur. De wind wakkerde aan. Ik moest links houden op de weg om te voorkomen dat de wind van rechts me er af en toe middenop blies. De leuke paadjes waren afgesloten wegens werkzaamheden, dus het was asfalt tot Dokkum. Scholieren waaiden van hun fiets. De Dokkumer Vlaggencentrale maakt de beste vlaggen van Nederland. Dat snap ik, met die wind hier. 

Dokkum is prachtig, tot je moet plassen, dan is het lockdown. Ik dacht, een bed and breakfast en dan wachten wat de volgende dag brengt. Maar opgesloten worden in je kamer, met eten voor de deur gezet, da’s niks. En dan het weerbericht. Nog drie dagen nat en regen, en de route draait morgen tegen de wind in nota bene.

Ik besloot naar huis te gaan.

Hoe voelt dat nou, een wandeling afbreken? Onvermijdelijk maar treurig, met iets van spijt als je in de trein naar huis de zon ziet doorbreken. Zo’n wandeling is toch grotendeels fantasie, een illusie die zachtjes ‘poef’ zegt als je ermee ophoudt. Zou deze wandeling een hele grote zijn, dan zou ik hem voortgezet hebben, met de gedachte dat er hele mooie dagen in het verschiet lagen. Maar dit loopje was ‘zomaar’, en dat verdraagt geen vijf dagen slecht weer.   

De route
Ik had een vier of vijfdaagse route uitgestippeld, een mix van Kunstpad, Elfstedenpad en Noardlike Fryske Wâlden pad, aan elkaar gelijmd met klazige doorsteekjes. De route begon in mijn vaders geboortedorp Oosterbierum, maar dat was voor de start al van de baan. Tzummarum werd het nieuwe startpunt. Ook daar liggen roots. De route loopt door de klei naar Sint Jacobiparochie, dan langs de zeedijk naar het Noorderleegsbuitenveld, over de klei naar Ferwert, dan Dokkum, Damwoude, Buitenpost, Twijzel, het Burgumermeer, De Leien en Nationaal park Alde Feanen om te eindigen in Drachten.
Ondertussen is het restant van de route omgewerkt tot iets van ‘Steenwijk – Alde Feanen – Eastermar – Buitenpost’, natuurlijk met de wind mee, zoals een goede route betaamt. 

Startpunt: Tzummarum, bakkerij. Deze bakker verkoopt koffie to go.
Het Bild: kamerbrede klei tussen Sint Jacobiparochie en de Waddenzee.
Het wad vanaf de Seedyk
Duitse observatiebunker op het Noorderleegsbuitenveld. Noarderleechsbûtenfjild klinkt beter.
Twee dobben aan de horizon rechts. Schijnbaar mooi weer donderdagochtend.
De terp van Hegebeintum.
Storm Evert blaast de verkiezingsborden van de palen. Of heeft de wind hulp gehad?
Tijdens corona kun je niets anders dan wandelen en dat is zwaar. Hier toch rusten in een tuinhuisje achter een boerderij.
Dokkum in. “Trochpakke” doe ik niet, ik ga naar huis.

Who selects the camping spot?

TGO Challenge 2021 preparations part 3 [click here for part 2]

Every now and then I read French philosophers. It makes me feel intelligent, after only a single paragraph. Last week I read Roland Barthes. He’s brilliant when talking about signs and language. He said of Jules Verne – the 19th century writer of adventures – that it’s not the adventures that are so appealing to the reader, it’s the compatibility with childhood. Let’s elaborate on that. Verne delights in the finite, on a ship’s deck, aboard a submarine, watching the wild world. I remember treating any piece of wasteland, like a building site in preparation, or the fringes of my granddad’s farm, as a world in itself, however small. My world. Indoors, any child builds huts and tents using chairs and bedlinen. The man-child walking the Highlands likes to hide in a tent, snug inside the sleeping bag while the storm (the infinite) batters the flysheet. From all this, I deduce that the TGO Challenge is not an adventure (almost everything is under control), it is rather a very nice celebration of things boys and girls like.* 

Engraving by Alphonse Neuville, in 20,000 leagues under the sea

Prospect and Refuge
25 years ago I read Yi Fu Tuan (a China-born American geographer) about the experience of landscape. He reduces the experience of landscape to two words: Prospect and Refuge. To rest, to plot the next move, man seeks refuge. To hunt and to conquer, man seeks prospect. You want the hilltop, and for that you go out on a limb, into the open. When tired, you seek the glen or the woods. Every lover of mountains recognises the relief when, coming from a summit, the tree line is reached. In Scotland, prospect and refuge are conveniently close together.

tent view
Many Challengers and other wild campers take this kind of picture: looking out from the safety of the pod. (Loch Hourn, March 2013)

While summits are precisely located points, known to everyone, the camping spot doesn’t exist, you have to create it. I like that, the strictly private action that is the placement of a tent. On the TGO Challenge Route Sheet you have to fill in camp coordinates. But pinpointing a camping spot is a bridge too far: I need to see for myself where I make my home. I select an area, where I expect to find a good spot. I’m not ashamed to tell you I spend quite some time walking up and down the area, not necessarily because I cannot find a flat spot, but because I have to get used to the place, it has to feel right. Don’t ask me what that is, for who selects the camping spot? The child. Don’t expect it to be a rational thing.

The extremes
Once you recognize what wild camping does for you, you can optimize it. The high camp unites prospect and refuge: safely inside the tent, looking down into the night between the hills, the lights of roads and ships on the horizon. And in the morning, you’re on top of the world right from the start. The low route disappoints: after resting and planning inside the shelter, no prospect is gained, because the safety of the glen is chosen over the ridges. Many Challengers complain of boredom on their low routes. For a reason. The child likes the snug tent, but its snugness is greatly enhanced by venturing out, and returning to it. I’d like to put it stronger: not venturing out eventually kills the tent’s attraction. Feeling vulnerable out on the hill? The lightweight tent is the perfect solution: whenever you feel you’ve had too much openness, you can turn prospect into refuge by just pitching it. Magic.

In Jules Verne’s books, the Ship is also an important, very finite, very enclosed place. I’d say tents are a below deck space turned upside down. Some tents feel and look like sails, coming down from a mast. I guess that’s why single pole shelters are so popular. (Noordduinen, Netherlands, 2020) 
This type of photo is very common with wild campers: frost on the tent to prove that hiding inside a small space was necessary (there was danger outside). In reality, most frost on a tent is the result of camping low, near water and away from wind (some wind would prevent the frosty cover) (Near Loch Gorm, Ben More Assynt in view, april 1996, and yes, the tent’s a Phoenix Phreebooter)
Refuge can be reduced to the bare minimum. A camp is a camp even when it’s hardly a camp. (Bivy on a nine day trek from Kangerlussuaq to Sisimiut, Greenland, 2001)
Badly pitched tent after a one hour search for a camping spot. Low terrain & flat terrain was too wet, high terrain was to windy. (Loch Dubh Mas Holasmul, South Harris, 2018)

*an important condition: free will. There’s many children and adults living in tents involuntarily, in refugee camps or on the run. This kind of tent still provides refuge, but it’s anything but a celebration. Awfully privileged, wild camping in the hills…

The Italian connection

TGO Challenge 2021 preparations part 2 / click here for part one

If an Italian man dresses up to make an impression, he will never let on whether he’s going to a bar or to his mother. I’m sympathetic to this principle. Walking friends have described me as extremely opportunistic, route wise. So, when walking across the Highlands I’d be ready for the high ridges, but when the weather forces me to walk the landrover track down in the glen, I will do so and happily pretend it’s my choice. My TGO route for the coming west to east crossing of the Highlands must accommodate this behaviour. Designing such a route is fun. The only problem is that my imagination runs wild and before I know it I the maps are filled with scribbles and options. I love it, except… 

TGO Challenge 2021 Route design
Marked route on printed sheets and calculations

TGO Challenge Control forces you step up with only one main route, and one Foul Weather Alternative. There’s a route sheet you download and fill in, box by box, in great detail. This makes playing the tourist and following every whim a lot harder. Challenge Control would make an Italian write down which bar he would enter, what lady he would walk up to and what would happen next. Would the Italian ever confess to walking a dull route, on paper? 

TGO Challenge Route Sheet
The freedom to roam the hills is preceded by some bureaucracy

Once described, one sends the route off to Ali & Sue, the gatekeepers at Challenge Control. They are Challenge veterans themselves. They assign you to a vetter, a person that checks your route against rules and safety regulations, Julia in my case. This week, she sent my route back with a list of formal issues. Simply put: I’m not allowed to leave so many options open, and I should write the main route and foul weather alternative sections in the box of the day they are to be walked. This feels like filling in forms for tax return. Thou shalt jump through hoops. On the positive side: the formalities made me cut out bland stuff, and made me commit to my route.

All this goes against my habit to sneak off into a fold in the landscape. My predisposition is to hide, to escape and turn up in unlikely places. But Challenge Control’s responsibility is to find me, so I will have to suppress my urges and be traceable. Let’s find out how much escapism I can fit in there. Supervised escapism, does that count?

Glen Etive lunch stop
Smug opportunist having lunch, Glen Etive, 1999

Update: the minute I published this post, I got a message from Ali & Sue: “Thanks for this which looks good to us.  We will pass it on to Julia for a closer look at the detail”. More on this in a week or two…

Update 26 January: Julia Hume vetted the route, I made two corrections and then it was signed off, ready to be walked!

Zo vliegen voornemens de prullenbak in

“Kom, schrijf op. Hoeft niet goed, maar doe het toch”, zeg ik zo vlak voor Oud en Nieuw 2020, “want het gaat over voornemens”. Okee. Hak-op-de-tak en daar gaan we. Dat lijkt aardig op de tocht zelf.

Het begon simpel, op het stationnetje van Rannoch, met plannen om een diagonaal te lopen naar de Cluanie Inn, zo’n 170km verderop. Ik had zin om te lopen. Het voornemen om de rugzak rustig uit de vliegtuigstand te halen ging daarom de prullenbak in. Uren later, toen ik een laag sneeuw wegschepte om mijn tent op te zetten, brak dat me op. Ik kon werkelijk niets vinden, vooral de hoofdlamp niet. Die bleek nog thuis te liggen. Gelukkig had ik voor het eerst aan een reserve-hoofdlampje gedacht, een voornemen uit 2019.

20 februari. Tent in Coire allt Eigeach.

De volgende dag konden plannen om twee nabijgelegen heuvels de prullenbak in. Ik kan wel vertellen over het weer, maar de meeste wandelaars vervallen dan in overdrijvingen, of het leest in elk geval als een overdrijving. Ik kom er op terug.

Loch Ossian YH
Bijkomen in Loch Ossian Youth Hostel, en dan weer terug de gurigheid in

Van de Winter Warden van het Loch Ossian hostel kreeg ik vier blokken hout mee, die ik in plastic verpakt meedroeg naar Staoineag bothy. Het waaide hard genoeg om een duistere bothy te verkiezen boven slapen in de tent.

Een dag later, op 22 februari, oefende ik met het weer. Ik beklom Stob Ban, een handzame Munro. De video zegt meer dan duizend woorden.

Het Weer. Wat je ziet vliegen zijn stukjes ijs die zeer doen.
Op Stob Ban. Ik heb een snor, wat raar is als je de baard die erbij hoort niet ziet.

Ondanks dit voornemens-vernietigend geweld beklom ik die berg (op stijgijzers natuurlijk) en kwam weer terug in Meanach Bothy, waar ik een goed winters boek las, en in de ochtend mijn verjaardagskadootjes uitpakte.

Echt een heel goed boek!
Lichtgewicht verjaardag.

Op mijn verjaardag zag het er iets beter uit. Mijn route liep haaks over de bergkam van de Grey Corries naar het noorden. Je raad het al, ook dat ging niet door. De wind was de voorspelde 75-90 mijl per uur en ik besloot op de top om te keren (geen besluit, de wind legt zoiets op). Wat me bijblijft: terwijl ik op de grond zat duwde de wind mij voort. Niets hielp, zeg maar. Een erg duidelijke situatie.

Stormy weather, Grey Curries
Stormachtig weer ziet er goed uit.
Stob Coire an Laoigh summit
IJs in de wenkbrauwen op de top van Stob Coire an Laoigh

Toen ik, dooreengerammeld, weer in het dal stond was ik blij: mijn brein was blijven werken. Later, vanuit een warm hotel, belde ik Lein, die bezorgd was geweest. Terecht, voor deze ene keer. (Ik neem me nu voor haar bezorgdheid te voorkomen). De volgende dag liep ik naar Glen Mallie, gewoon langs een bewegwijzerd pad. Dat kan ook nog, natuurlijk.

Alles vredig in Glen Mallie
Coire Sgreamhach N of Gulvain
Coire Sgreamhach. Fraai en onbegaanbaar.
Loch Arkaig Southern shore
Loch Arkaig
Kinlocharkaig Barn Owl
Een kerkuil in de ruïne van Kinlocharkaig
Glen Kingie Bothy
Kinbreack bothy in Glen Kingie
De zesde dag, 25 februari. Glen Mallie naar Glen Kingie, 29km/10.5u

Loyaliteit
Kijk, ergens rond de kerst teken ik zo’n route, en die wekt een enorme loyaliteit in mij op. Komt bij dat Glen Kingie en Sgurr Mor al sinds 1994 op mijn verlanglijst staan. Hier hebben we voornemens waar geen sneeuw, hoge heide, modder en padloze stukken mij van af kunnen brengen. Op naar Glen Kingie dus, geen zin in iets anders.

Toen ik in de avondschemering kwam aanklossen brandde het vuur in de bothy al. Drie man en een enorme zak kolen, echt een traktatie. De bothymuis knaagde een gaatje in mijn rugzak op zoek naar een lege chocoladewikkel. Omdat mijn bibbers over harde wind en diepe kou nog niet waren weggetrokken, was ik blij toen Jack (the London Dentist) de volgende ochtend voorstelde om samen Sgurr Mor te beklimmen. Hij is ook nog zo’n type dat de leiding moet hebben, iets wat heel welkom is in diepe sneeuw, haha. Het rondje van 10km kostte ons zes uur.

Sgurr Mor from Sgurr nam Fhuaran
Sgurr Mor vanaf Sgurr an Fhuarain
On the way to Sgurr nam Fhuaran (photo courtesy Jack The London Dentist)
Een dun zonnetje, op weg naar Sgurr an Fhuarain (foto Jack the London Dentist)

De dagen erna zwikte het tussen betoverend winters en intimiderend winters. Op de berg Gairich nam ik me voor mijn navigatie minder van het zicht te laten afhangen. Op de één na laatste dag beklom ik Gleouraich. Ik voelde me belazerd, want hogerop verdween m’n spoor en waaide het even hard, en even snijdend als altijd. Daarna verdween het zicht en vond ik de top ‘plotseling’. Ik daalde zo snel mogelijk af naar de vloer van Glen Quoich. Zo’n typisch moment dat de spannende dingen achter je liggen, terwijl de kaart zegt dat er nog 13 kilometer te gaan zijn, met smurrie en sneeuw op de grond, natte sneeuw uit de lucht en erg veel ‘nu ben ik er bijna’ momenten.

Onderweg vanuit Glen Kingie naar Gairich
Gairich Summit
De top van Gairich
Zo wit. Precies in het midden van het beeld is een kleine stenen brug. Erg blij mee, want daar is een weggetje. Had ik al gezegd dat weggetjes niets betekenen als er zoveel sneeuw ligt? Je ziet ze namelijk niet.
Am Bhatach, Ciste Dubh and Sgurr nan Ceathramnean
Je ziet het niet, maar het weer was hier best goed. Voordat ik om 12 uur de bus naar Inverness zou halen, klom ik nog even op Am Bathach, vlak boven de Cluanie Inn waar ik de avond ervoor was aangespoeld.

Zo.

Voornemens? Ja, weer naar Schotland als Corona weg is. Wat ik ga doen vertel ik hier snel.

Een veel uitgebreider versie van deze tocht, compleet met routekaart en allerlei details, is te vinden op Walkhighlands.

Een pad is alles

Om er even uit te zijn liep ik van huis naar Den Helder. “Om er even uit te zijn”, misschien wel om er even in te zijn. In mijn favoriete modus. Lopen, kijken, lopen. Aan de leiband van de route die geen leiband is maar een soort vaag kader. Soms onzichtbaar, voor portiekflats langs, een plein over, soms als een geleiderails, een smal pad langs een afrastering of over een vlonder.

Het pad is de baas. Je wilt weten wat er net om de bocht ligt. Architecten en parkontwerpers proberen het te ontwerpen: enticement, aanlokkelijkheid. Zodat de wandelaar als het simpelste dier op het licht af loopt, zijn hartslag verhoogt voor een bocht. Hoe hij zich machtig voelt op een hoog punt, maar daarna vlug een valleitje inloopt om weer omhuld te zijn. Ik doe er lekker aan mee.

Waar dat pad dan loopt? Ik hou wel van woonwijkjes en industrie. Maar het Noord-Hollands Duin, dat spant de kroon. Het kleurenpalet! Het doet vaak aan Schotland denken. En wat een variatie: dennen, berkjes, heide, duindoorn, helmgras, lage wilg, grijze duinen met rendiermos, het kan gewoon niet op.

De rommelende mens was er ook. Ontroerende volkstuintjes in het duin boven Egmond, maar ook met trespa beplate troepwinkels in Callantsoog, nu nog wanhopiger dankzij Corona. Het dieptepunt is het bijna verlate recreatiehuisjeslandschap van Julianadorp. Rietgedekt, chaletstijl, mansion-stijl, allemaal dicht op elkaar en alleen op de rendering van de architect enigszins te pruimen.

En ik was op m’n onbenulligst, geen hellingen, sneeuw, watertekort, lastige navigatie of wat dan ook. Om het reizigers-schap te vieren wilde ik ergens zomaar naar de kapper. Bij drie adressen verbaasde ik de kappers met mijn binnenvallen, maar nergens kwam ik tussen de Covid-afspraken door. Lag ook aan mij: ik moest voor donker nog een stukje, of kon niet zomaar twee uur wachten.

En de vos? Die jatte mijn blauwe kaas en betoonde daarvan geen spijt toen ik hem bij het eerste daglicht tegenkwam.

Woensdagochtend 9 uur: bij vertrek klopt het weerbericht helemaal niet, gelukkig. Woensdagochtend 9 uur: bij vertrek klopt het weerbericht helemaal niet, gelukkig.

SdH - 2Duin en Kruidberg

SdH - 4

SdH - 5 Veerpont naar Velsen Noord
SdH - 6 Staalhaven met kardinaalsmuts
SdH - 7 Beverwijk doet z’n naam eer aan.
SdH - 8 Domweg tevree in Wijk aan Zee (lekkere broodjes bij de Spar). Regen begonnen.

SdH - 9Zie je dat schitterende knikje, waar het pad overgaat naar oude klinkertjes?

SdH - 10 Camping Bakkum, voor € 31!!!
SdH - 12Deze knakker heeft ‘s nacht mijn blauwe kaas uit de voortent gegapt

SdH - 14

SdH - 15 Rijk begroeid duin vlak voor Egmond

SdH - 16Egmond aan Zee, vuurtoren Van Speijk. Echt kustdorp.SdH - 17



Ten noorden van Egmond liggen tientallen ‘tuintjes’ uitgegraven in het duin. Ontroerend.

SdH - 18SdH - 20 SdH - 21


Richting Bergen aan Zee. Langs Russenduin, Thabor, Bijlenboom, de Linksche Kant en door het Russengat.

SdH - 22Lekker eten bij Echt, in Bergen. Take away vanwege Corona. Regen net zacht genoeg.

SdH - 23 Schitterend as-eiland onderin Museum Kranenburg

SdH - 24 Seikweer door lomp Staatsbosbeheer-bos op weg naar Groet

SdH - 25Camping Eldorado in Groet. Leuke lui, thuis-gevoel. En ze hadden drie plankjes met etenswaar, zodat ik mezelf kon trakteren op een pot Appelmoes en een flesje bokbier.

SdH - 26De Hondsbossche Slaperdijk. Die betonnen palen ken ik nog van de was op de boerderij van opa. Iedereen had ze, toen en daar. Harde wind in de rug.

SdH - 27De Hargermolen

SdH - 28 Wist je dat de Hondsbossche Zeewering uit een dijk EN een duin bestond. Ikke niet.

SdH - 29 Kernreactor in Petten.

SdH - 30 SdH - 31 Het Zwanenwater, van Natuurmonumenten, is echt een juweel. Eigenaardige combi van duin, dennen, veldjes, moeras en eikenstruweel. En berken. En orchideeënveldjes.SdH - 32 SdH - 33
Callantsoog leidt onder toerisme-ondernemers-wanhoop. Alles ad-hoc in elkaar getimmerd. Gelukkig zijn er kauwtjes. En (onder) aan de rand wonen leuke mensen in hun eigen nest.

SdH - 34 SdH - 35 Jee man. Horse Care BV of zoiets. In-treurige landjes met verweesde natte paarden.

SdH - 36Art Brut langs de Noordduinen. Hoera.

SdH - 37De Hel. Net niet economisch haalbaar recreatielandschap bij Julianadorp. Verlaten, winderig.SdH - 41 SdH - 42

De middenvliet in Polder Het Koegras. En dan Den Helder in langs de donkere duinen.

SdH - 44

De klei zo vrij

‘Mijn foto’s zijn vastgelegde
werkelijkheid’, zei een natuurliefhebber tegen mij. De foto’s die hij online postte lieten zonsondergangen, zonsopgangen en vogels zien. Ze vormden voor mij het bewijs dat de beeldtaal van de romantiek de maatstaf is, en dat mensen niet zien dat ze die hanteren. 
Noordoost-Groningen is een plek waar je om je eigen esthetische verwachtingen heen kunt kijken. Zelden is er gelegenheid voor een lekkere knusse gewone geruststellende zonsopkomst met mistflarden. Zoals op mijn eerste wandeldag, als ik om 7:15 de sportvelden verlaat. Zon, ja; mistflarden, ja; maar een kanaal, een windmolen, en de rand van het tamelijk schamele Nieuweschans werken niet mee. Later die ochtend loop ik door ruilverkaveld turbo-akkerland. Kwaliteiten als openheid, veel lucht, niet rommelig; maar ook heel steriel, weinig ‘mens’. De natuur is er fragmentarisch: reeën, gele kwikstaartjes, hazen. Losse beestjes, verdwaald. De historische component idem. Een gevel, een kerkje, verloren tussen onaandachtige nieuwigheid. Wil je hier idyllisch boerenland in zien, dan moet je meestentijds wegkijken. 

Je snapt, geheel in lijn met wat ik anderen voorhoud ga ik niet wegkijken maar juist toekijken. Heel plezierig, wanneer het lukt. De nachtclub in de nieuwbouwboerderij, de junkyard aan de dorpsrand. Geleid door mijn eigen type romantiek liep ik om naar het gehucht Hongerige Wolf. Ook dat gaf niets om mijn verwachtingen die me een 18e-eeuwse herberg voorspiegelden. Nee, het waterschap was er aan t graven, vissers parkeerden hun Kia’s, de schattige cottages bleken verkrotte bejaardenwoningen. Iets verderop viel een perfect in de lak staande 19e eeuwse sluis uit de toon, te mooi, te VVV. En bij een boerenvilla zag ik een blauwborst. Was die ook uitgekeken op z’n gebruikelijke riethalm?

Zo werden de gedachte attracties naar de tweede rang gedrongen door objecten en plekken zoals de zeedijk, het gemaal, de aluminiumfabriek en kegelhuis De Zeearend. Die hoeven niet in een wandelboekje of erfgoedlijst, want ze hebben hun eigen, hedendaagse noodzakelijkheid. Zowel functie als vorm kan zonder steun van architectuurhistorici of ecologen. 

Daar voelt de wandelaar zich vrij. Nergens een bordje dat zegt ‘hier is uw gewenste helende natuur’ of ‘hier voelt u zich verbonden met de geschiedenis’. Gewone, onbeladen, vrij in te vullen wandelspace. Groot, plat en gevuld met klei en boerderij. En ik maar lopen. 

Ik wil nog wel even gezegd hebben: de klassieke toerist in mij kwam ook aan zijn trekken. Herenboerderijen, prachtige wierden, het lege buitendijkse kwelderlandschap. Schitterend. 

Bij de sportvelden in Nieuweschans was het koud. Ik jatte een vuilniszak als grondzeil.

Koning stro heeft schijt aan de wet: protest tegen stro-trucks die door het gehucht Hongerige Wolf scheuren.

De vrijheid van het buitendijks wandelen

Termunterzijl, oude sluis

verlaat het gebouw alleen als u schoon bent!

Door industrie opgeslokte dorpen Heveskes, Oterdum en Weiwerd. Hier het kerkje van Heveskes, met teruggeplaatst gietijzeren hek en weëe geur van amandel, merkstift en popcorn van nabijgelegen Dow Chemical.

Op elke 18-19e eeuwse begraafplaats zie ik zerken met de naam Smith.

Het verdwenen dorp Weiwerd.

Loop door deze keerdeur en je vindt een worstelend stadje, Delfzijl. Lelijk, je zou haast langer blijven om te ontdekken wat er wél gelukt is hier.

Wilde een houtzager nog €20 zien voor mijn tentje, de broers van Alberdaheerd wezen mij hun theekoepeltje uit 1870 als slaapplaats. Aan drie kanten landschap.

Glanzende klei om 7.15 langs het Lissebonse pad buiten ‘t Zandt (zand??)

De Menkemaborg. Top-erfgoed van Natuurmonumenten.

Op weg naar zee vanuit Uithuizen kruis je drie dijken. Voor je de zeedijk bereikt is het land superplat, met peen, bollen, uien en pootaardappelen.

Buitendijks: duizenden brantganzen, tientallen lepelaars.

Het Zielhoes. Hoogpolig tapijt is hier een stylingkeuze. Leuke lui.

Veldje in Noordpolderzijl, waar de gemeente een camping wil die er niet wil komen.

Dit is de grootste spitsmuis van Europa, de waterspitsmuis. Maarhuizen.

Pootaardappels in kuubkisten vijf hoog.

Verlaten camping t Woltkampke, Niekerk. ik luister de bekerfinale op langs de lijn. Mooi weer, nog wel.

Maandag 25 april is het honds koud, met harde hagelbuien zonder veel onderbreking. Nat tot op mn ondergoed.

Lauwersoog, een echte haven met vrije jongens. Fijn. (dit is lang niet de obsceenste mercedes)

Postindustrielle Spontanvegetation

Een kathedraal is een ruimte die wat met je doet. Het is een grote, indrukwekkende ruimte, waar veel is gebeurd. Er is heiligheid. 

De gebouwen van werelderfgoed Zeche Zollverein doen ook wat met mij. Ze zijn groot, perfect van proportie, en zo zonder herrie en mijnwerkers en kolen zijn ze veranderd in een monument, een tempel voor de industrie. Tijdens de rondleiding bleek ook dat er binnen veel gebeurd is. Duizenden tonnen kolen werden zonder al te veel achting voor arbeidsomstandigheden uit de aarde getrokken en verwerkt. Kortste samenvatting: duizenden mannen stierven hier langzaam, van het stof, of snel, als ze misstapten. De gids lepelde droge feiten op, die ons ongemakkelijk deden grijnzen. 
Vanaf het dak overzagen we het terrein en de vijf steden om ons heen, die dankzij deze enorme machine in welvaart baden. Er is zelfs weer groen: Postindustrielle Spontanvegetation. 
De volgende dag liep ik het centrum van Essen in. Daar vond ik de Dom. Klein, maar al in 874 gesticht door Altfrid. Die liep naar Rome en kwam terug met relikwieën. 
De Domschatz liet even zien hoe je dat doet, heiligheid bestand maken tegen de eeuwen. Prachtig versierde relikwiehouders, ook klein, zorgen ervoor dat de heiligheid indrukwekkend is, inspireert, en portable is. Voor als de Engelsen met brandbommen komen bijvoorbeeld. Ha, ja, ik ben niet van de leuke voorbeelden geloof ik. Maar wel toepasselijk, want ook in Essen moet je kilometers lopen om een gebouw ouder dan 1945 te vinden. 
Zeche Zollverein was gebouwd om 50 jaar rendabel te zijn en dan in te storten. Het uitroepen van de Unesco-status is lastig: elk gebouw moet nu eigenlijk opnieuw gebouwd worden. 
Museum Folkwang kwam als toetje. Ook een tempel. Een hele strenge, met dank aan Jan Schoonhoven en Andreas Gursky. 
Binnen het uur ben je van dat museum in het bos. Heerlijk. 

Hünxe (5 maart): een arm dorp, naamgever van de Raststätte aan de autobahn.


Lange boswegen op weg naar Bottrop. Pijn aan mn linkerscheen (verdween de volgende dag)

Met mijnbouw-restmateriaal zijn er 100 bergen gemaakt hier. Halde Haniel heet deze.

Baskische kunst op de ‘kraterrand’

Even de clichees bevestigen hoor: Bochum.

Het theater in de krater, beoogd stuntkampeerplek.

Toch een ander plekje, met even IJslands uitzicht.

Schotland schaal 1:10

Altijd de witte X, goed opletten welke.

Car of the day, voor JP

Canary in a coalmine.

Decadent gegeten. Wegens vertraagde espresso kreeg ik dit (ik citeer tutje 1) “Riesenstuck Brownie”

Trappenhuis Ruhrmuseum

In een naburig gebouw kunnen 3000 mijnwerkers zich gelijktijdig wassen.

Wandervogel!

Roltrap Ruhrmuseum

Toen: wagentjes keren (80dB) en kolen met de hand sorteren (teveel stof om iets goed te bekijken)

Neem de rondleiding. Voert naar de ingewanden van de fabriek. Eng!

Transportband naar de cokes-fabriek.

Alle spoorwegen zijn nu voetpaden.

De gids had hulp van prima animaties, geprojecteerd op de machines.

Kolenzeef (doorsnee 7 m)

Kokerei, zijn ze aan het behouden.

Kokerei, voor cokes waar je het puurste staal mee kunt maken.

Zollverein Schacht 12, icoon van het Ruhrgebied.

De dieptewandeling

Waarom ga je meer dan drie maanden op stap? Vooral mensen die niet op hun gemak zijn met mijn plan om naar Rome te lopen, stellen die vraag. Elke pelgrim geeft zijn of haar eigen antwoord. Wat is het mijne?

DVWwaarom2

De pelgrims die het hebben over ‘schoon schip maken’, of ‘mezelf tegenkomen’, verschillen niet van gewone reizigers of expeditiegangers. De pelgrims die zeggen ‘een geliefde is overleden’ of ‘ik heb een ziekte overwonnen’, klinken als pelgrims, maar ook een ander soort reis kan zo’n ritueel zijn. Solo-zeezeilers noemen zich geen pelgrim, maar hopen wel op een glimp van het hogere.

De enige reden die een pelgrimstocht een pelgrimstocht maakt is de bestemming: een pelgrimsoord. Dat betekent niet veel voor mij. Ik voel me dan ook geen pelgrim. Dat hebben er meer. Het lijkt alsof het de pelgrimage zelf is die van een wandelaar een pelgrim maakt. En daar ben ik wel weer benieuwd naar.

Hoe dan ook, wandelen, dat is geweldig. Je een route voorstellen, de juiste weg zien; het zijn menselijke ervaringen met een rituele component, waar ik van hou. Een meerdaagse wandeling voegt daar een mooie tegengestelde factor aan toe. Dat zoeken en verkennen moet namelijk eindigen. En wel met het vinden van een tijdelijk thuis. Een plaats waar je je een voorstelling van geborgenheid van hebt gemaakt. Zo’n plek, die vergeet je nooit meer. Als je dit ritueel vermenigvuldigt met 100, wat gebeurt er dan? Daar kom ik mijn bed wel voor uit!

Een veelvoorkomende motivatie bij reizigers is de kans op mooie ontmoetingen. Als je echt reist (dus niet georganiseerd, en liefst alleen) dan weet je dat er op de gekste momenten dingen gebeuren die een ander mens op je pad brengen. In een tijd dat iedereen in een treincoupe in zijn smartphone zit, is dat een benijdenswaardige eigenschap van het reizen te voet. Je bent afhankelijk, je kunt vaak niet even verderop proberen. Met name als het niet zo geweldig gaat, ontdek je: zonder hulp van anderen gaat het niet. Ik ben geen held in sociaal contact, dus dat wordt me wat.

Het laatste, fijnste antwoord op de waarom-vraag kan ik pas achteraf geven. Ik weet dat elke pelgrim angsten heeft over wat er niet zal lukken. Maar zo’n tocht is een mini-leven op zichzelf: voorziene moeilijkheden duiken niet op, of worden gemakkelijk overwonnen. En dan verschijnt er onderweg een nieuwe, onvoorziene factor die een levensles uitdeelt. Welke dat is, dat weet ik niet. En dat is spannend. Pogingen om de onvoorziene factor vooraf te voorspellen, zijn onsportief. De straf die er op staat is niet mis: een voorspelbare reis.

Ja, ik ga te voet naar Rome omdat ik de eenvoud, de onverwachte ontmoeting en het landschap wil ervaren. Maar ik ga vooral omdat dat mengsel, traag en langdurig opgediend, uiteindelijk iets zal onthullen dat ik niet heb kunnen bedenken.