Moeilijk doen tot je sterretjes ziet

Uitgelicht

In grijs, nat en winderig novemberweer in het bos gaan slapen? In een bivakzak? Een domme actie, op het eerste gezicht.

Ik ga even terug naar 23 november, zes uur ’s avonds. Ik stap uit de sprinter op Driebergen-Zeist. Ik ben de weg nog niet overgestoken of het begint al. 

Langs het fietspad is het meteen zo donker dat ik een rood knipperlampje (het achterlicht van mijn fiets) aan mijn rugzak moet hangen. Dan volgt een uur over zandwegen door donker bos. Ik strijk neer op een bult net buiten de afrastering van het natuurgebied. Ik leg mijn strook Karwei-afdekfolie op drie verschillende plekken, om de slaapwaardigheid van de nattige bladeren te testen. Je wilt weten of het vlak is, voor je verder gaat met uitpakken.

Het regent. Als het regent kun je een bivakzak niet openleggen om erin te kruipen zonder dat de binnenkant nat wordt van de regen en van je natte regenkleren. Eerst de slaapspullen uit de rugzak in de bivakzak. Dan het matrasje opblazen. Het strekt zich in de zak, alsof iemand z’n knieën optrekt en weer neerlegt. Telefoon, e-reader, toilettasje en hoofdlampje mik ik in de hoek van het hoofdeinde. Daarna trek ik schoenen, gamaschen en regenbroek uit. Zittend draai ik mijn benen in de bivakzak en dan ook meteen in de lakenzak. De regenjas blijft buiten, onder het hoofdeinde, net als de rugzak en m’n schoenen. Dan kan ik gaan liggen en kan de zak dicht.

Zoals je thuis op je zij ligt met je dekbed om je heen, zó dat je nog precies je boek kunt lezen, zo omvat de bivakzak mij, met een luchtgaatje open. Eigenlijk moet al mijn adem naar buiten door dat gaatje, want anders blijft er damp achter in de zak. Volgens de fabrikant kan dat ontsnappen door het geavanceerde materiaal van de bovenkant, maar als dat doorweekt is werkt dat niet. Dan condenseert er vocht op de binnenzijde van de buitenstof van de slaapzak. Daarvan wordt het dons langzaam nat. 
Door het luchtgaatje zie ik nat blad en natte bomen tegen een hemel die geelgrijs verlicht is door de A12 verderop. Regendruppels trommelen direct op mijn lijf, alsof er hommels tegen me aan vliegen. Alles verandert in humus. 

De bosgrond is toch iets schuin. Het grondzeil en de bodem van de bivakzak zijn glad, dus met elke beweging schuif ik langzaam van mijn plek. Mijn voetzolen staan in de onderkant van de zak. Niet onprettig, ware het niet dat het dons samengedrukt wordt. Dus kou. Omdat het hoofdeinde eveneens de helling afschuift, raken mijn schoenen en rugzak onbedekt. Ze regenen nat, tenzij ik weer in actie kom om ze opnieuw onder me te steken. Ik wacht even tot ik inzie dat het niet anders kan en ga dan aan de slag. Na nog een rondje gekloot met dure materialen warm ik weer op.

De nacht duurt zeker 14 uur. Dan is ‘plassen voor het slapen gaan’ niet toereikend. Rond een uur of twee wurm ik me, binnenin de bivakzak, in m’n jasje en rits de zak open. Druppels van de boom vallen in de slaapzak. Ik reik naar mijn schoenen en ga er met blote voeten in. Ik zet een stap buiten het bed en plas. Daarna draai ik het hele instap-protocol weer af. 

Dit slapen in een koud bos lijkt wel koosjer koken, of een kabinet formeren. Veel moves, grote raadsels voor de kijker. Zo’n ritueel, waar gaat het heen?


Het hagelt. Later worden het van die witte balletjes, zacht ruisend op mijn slaapplek. Na de bui zie ik de maan, links van me, door een web van zwarte stammen. Voor mij loopt het terrein op tot een borstwering van donkere sparren, die de nachthemel afzetten met een kartelig silhouet. Daarboven zie ik sterrenbeelden. Cassiopeia fonkelt in de herfstkou. Ik zie ook vóór de bomen sterren. Die flonkeren precies zoals de sterren in de hemel. Ik beweeg mijn hoofd, die sterren zullen wel gewoon tussen de takken door schijnen. Maar nee, ik vergis mij niet. Ook als ik mijn ogen verplaats, blijven de sterren stralen, vóór de bomen. Ze zijn perfect rond. En zo fel, groot en klein. 

Ik heb in geen tijden zoiets moois gezien. Ik kan mijn ogen er niet vanaf houden. De bomen, de nieuwe sterren, het glinsterende wit op de bosbodem en ikzelf, het zit allemaal in één doodstille bol waarvan ik niet kan vaststellen of die binnen of buiten mij is. Ik denk binnen.


Veel later dringt het fysieke zich weer op. De hagel en sneeuwresten op de bivakzak drukten toen ik sliep het dons samen. Ik hou de klamheid niet meer op afstand. Het is 04:08, tijd om op te staan. 
Inmiddels is de maan onder. De sterren aan de hemel, die zijn er nog. De sterren-voor-de-bomen zijn verdwenen. Aan alle twijgen hangen nog steeds druppels, maar nu zonder dat er in elk een hypnotiserend maanschijfje zwemt. 

Zodra de volgende bui is overgewaaid kleed ik me helemaal aan. M’n beker staat tussen de boomwortels. Hij zit vol cold-soaked havermout, melkpoeder en rozijnen. Ik vis de aansteker uit het zakje op de mouw van m’n jack, waar-ie echt altijd zit. (De piëzo-elektrische aansteker van de brander zelf doet het nooit als het vochtig is, maar geen reviewer die dat vermeldt). Ik zet mijn hoofdlampje op rood licht, steek het gasje aan, zet de pan erop en kieper, wanneer het water kookt, de havermout erin. De beker is leeg en dus kan ik nu de thermosfles met thee uitschenken. Heerlijk. De havermout is ook al zo lekker. Ik lepel het snel naar binnen. Zo na half vijf trek ik het nodige uit en kruip er weer in. Ik lees nog een paar bladzijden. Over een Denied Area Access Spy die in de Iraanse woestijn langzaam uitdroogt, ondanks zijn voorbereiding en ervaring. Hierna draait mijn interne kacheltje weer en val ik tevreden in slaap. 

Hard gewerkt, in ruil voor betovering. Goeie deal.

De bivakzak in kwestie. Een ‘e-vent soul’ van Mountain Laurel Designs. 340 gram, met silnylon bodem, e-vent bovenkant en, jawel, een muggengaasje. De rugzak gaat richting de 4 kilo als je deze zak combineert met een zomerslaapzak en een half matje. Maar in winterse omstandigheden nogal een gedoe dus…
De route was eerst de gebruikelijke 100km van Driebergen-Zeist naar Garderen, over een keur aan LAW’s en streekpaden. Na twee nachten in de bivakzak heb ik de route op het Wageningse Binnenveld afgekapt en het restant verlegd langs de Rijn naar het Renkumse Beekdal, met Wolfheze als eindpunt. Ongeveer 70km. De overgang van de stuwwal naar de Rijn, bij Wageningen, is schitterend.

MLD Hell rugzak, review

Mijn favoriete wandelrugzak is de Burn, van Mountain Laurel Designs* (MLD). Die is 38 liter, en mijn kamperen-boven-nul-uitrusting past er in. Maar in de zomer, in Nederland of Frankrijk, als er geen warme slaapzak, geen warme kleren en vaak niet eens regenspullen mee zijn, is ie te slobberig. Een mooi voorwendsel voor een nieuwe, toch? 

Zoek je een rugzak van rond de 30 liter, dan kom je uit bij rugzakken die bedoeld zijn voor klimmers, met veel toestanden eraan, of dagrugzakken die dan weer net te klein zijn. Ron Bell, de chef van MLD zag dat ook, en heeft een rugzakje gemaakt van 27 liter, waar ‘niks’ aan zit.

Kenmerken
De Hell is een zak zonder ritsen of vakken. Aan de buitenkant zit 1 groot elastisch vak, in het midden vastgezet en zo in tweeën gedeeld. Ron levert een paar meter elastisch koord, waarmee je op dat buitenvak nog een grid kunt maken. De heupband is heel eenvoudig, simpeler en wat steviger uitgevoerd dan aan de Burn. De schouderbanden zijn ook eenvoudig, met ongeveer een centimeter vulling. Er is geen frame en er is niks verstelbaar, de schouderbanden en heupband zitten gewoon vastgenaaid aan de zak. Klinkt oncomfortabel? Bedenk dan: je neemt weinig mee. Komt goed. De schouderbanden en heupband zijn wel verstelbaar, natuurlijk.
Je kunt een deksel met rits erbij kopen, maar die heb ik al in huis (aan mijn Burn). Wel wil ik nog proberen hoe het is om spulletjes en/of een drinkfles op borsthoogte te dragen. Voor $18 koop je een fleshouder of een verticaal tasje erbij.

Inpakken en wegwezen: wat past waar?
Bij de eerste test, in de zomer hier in de duinen, besluit ik al direct dat spullen op borsthoogte niks voor mij is. Het ruist en kraakt en zit in m’n blikveld. Bovendien pauzeer ik liever dan al lopend te snacken of te drinken. De schouderband-tasjes blijven dus even thuis. 

De Hell is klein. De bodem/doorsnede is 22,5cm x 13 cm, kleiner dan een half A4 (en kleiner dan de fabrikant opgeeft!). De hoogte, met de sluiting dicht, is ongeveer 50 cm. Het binnenvak meet daarmee dik 14 liter. Wát?! Hoe dan?!
Toch past mijn slaapzak, matrasje, kleding+pan, tent/haringen, etuitjes met dingetjes, e-book en bovenop evt een jas er wel in. 
Het buitenvak, daar past mijn 1 liter petfles en 0,6 liter thermos goed in. Regenspul, gamaschen, grondzeil etcetera verdwijnen ook in het buitenvak. Mijn 2 liter oprolfles kan er gevuld ook nog bij. De stof van het buitenvak comprimeert zo, dat fruit wel heel blijft, maar een tomaat, dat hangt erom. Het is precies los genoeg om er makkelijk iets uit te halen.

Maten en wat er zo’n beetje inpast.

Met het meegeleverde elastische koord heb ik een webbing op de buitenkant gespannen, daar klemt een trui, jas of regenjas goed onder, of een tasje eten als je net naar de winkel bent geweest. Een natte tent past daar ook prima.
Het volume per gram eigen gewicht is belachelijk: de rugzak weegt iets meer dan 10 gram per liter draagvolume. Alleen boterhamzakjes doen het beter.

Pasvorm
Geen pasvorm, want de rugzak is frameloos. Je pakt ‘m in, en de inhoud voegt zich naar je rug. De rugzak zit nog lekkerder dan de Burn, want zo klein, je kunt er zo weinig in stoppen dat ie nooit veel weegt. 6-7kg is het meestal. Stop je ‘m buiten en binnen helemaal vol (bijvoorbeeld met 2 liter water, einde dag) zou misschien rond de 10 kilo kunnen komen. In Nederland, in de zomer, is mijn uitrusting rond de 5kg (zonder water, eten en brandstof)

Lopen
Ja, wat denk je. Fluitend natuurlijk. Feest. 
Niet lopen: de rugzak is zo klein en zo opvouwbaar dat ie makkelijk meekan als tweede rugzak, of in de koffer.

Nadelen
Deze rugzak heeft geen frame en hangt dus niet vrij van je onderrug. Dat maakt ‘m minder geschikt voor hogere temperaturen.
Het buitenvak is hoger en minder doorzichtig dan dat van de Burn, je moet op de tast dingen eruit vissen. Kleine spulletjes blijven niet bovenin zitten maar zakken naar onderen.
De sluiting van de zak is een rolsluiting met een paar drukknoopjes. Eigenlijk rol ik m alleen maar. Als de rugzak heel vol is, kan de sluiting kieren. De stof is UHMWPE (Ultra High Moleculair Weight PolyEthylene), 2x zo sterk als Dyneema. Met een PU-coating, maar ik ga er zelf nooit vanuit dat een rugzak waterdicht is.
Het idee dat alles binnen in 1 vak zit, en nattigheid en flessen aan de buitenkant, is een goed ontwerp. Maar die lader, snoertje, geld, een reepje, daarvoor wil ik misschien toch het deksel met ritsje erop zetten.

Kwaliteit
Mag ik best zeggen: Amerikaanse ateliers leveren echt kwaliteit. Alles is degelijk, goed genaaid, je kunt je niet voorstellen dat er iets stuk gaat. Mijn Burn is nu 8 jaar oud, en alleen het labeltje met het logo erop is versleten. Prijs: $ 155. De verzendkosten zijn $50, reken dus op € 200.

Conclusie
Deze rugzak is zo simpel, da’s altijd raak. Wil je ‘m naar eigen voorkeur of gewoonte uitbreiden, dan kan dat allemaal. Er past niet veel in en dat vind ik heel fijn, het geeft een geweldig gevoel van vrijheid. Gewoon, geen geseik. Heel onopvallend, maar erg stylish. Extreem goede bouwkwaliteit.
Als je uitrusting iets minder uitgekookt is, of je wilt meer dan 3 dagen eten mee, dan is-ie te klein. Kijk bij Gearlab voor een goeie test van 35-50 liter rugzakken. Allemaal veel zwaarder en duurder, want ‘features’. Je bent gewaarschuwd. Of koop een Burn van MLD, you’ll be amazed.

*de Burn is licht gewijzigd tegenwoordig

Laat maar waaien in de Achterhoek

Wat een chagrijnig stukje, dacht ik, toen ik de eerste versie teruglas. Zo’n poging om alles te beschrijven, en wat er niet goed was dan nog extra uitgebreid.

Okee, ik schrijf alleen op wat er goed was, eind september in de Achterhoek.

1) De metamorfose. Zoals superman uit een telefooncel stapt, zo kom ik als wandelaar uit de vergaderruimte van Sovon Vogelonderzoek in Nijmegen, waar ik die dag een training gaf. Ik ben nog net herkenbaar als trainer vanwege m’n koffer met laptop, papier en stiften. Die gaat in Arnhem in een kluisje, en dan ben ik wandelaar.

2) Na 8 jaar is er weer eens een nieuwe rugzak. “Hell” is de naam, als een middelvinger naar de ingewikkelde buitensport. Marketing natuurlijk, voor de geprivilegieerde vijftiger die zogenaamd zonder spullen kan. In het zakje van 27 liter (260 gram) zit een nieuwe bivakzak, maar voor de zekerheid ook nog een buitentent. Om 8 uur sta ik vlakbij Winterswijk op een donkere camping. (Over dat rugzakje schrijf ik nog een stukkie)

3) Dan het wandelen, wanneer werd dat mooi? Ik denk gewoon de woensdagochtend, met een stel paarden in het bedauwde gras. Een overstekend reekalf. Daarna een hele tijd niets. Goeie zandpaden wel, maar vooral veel laser-strakke percelen snijmais, voederbiet en raaigras. Mooi weer, korte broek. In Meddo een lunch en daarna neergestreken in een rommelrand van het Zwillbrocker Venn. 

4) Slapen in het bos. Als ik lig, neigen de stammen over mij heen en als ik mijn ogen opsla kijk ik tussen de boomkronen door naar de avondhemel. Even denk ik: autolampen, maar het is de opkomende maan. Niets zo compact als een bivakzak. Losse zooi kan in het hoofdeinde, keukengerei blijft buiten en de rugzak zelf verhoogd mijn hoofdkussen nog wat.

5) In Eibergen maakt bakker Schröder me gelukkig: hij levert spelt, desem, rogge en gekookte gerst in de vorm van een baksteen, waar ik mooi de boerenkaas van De Zuivelhoeve op kwijt kan. Ergens op een steigertje met de schoenen uit.

6) Zwemmen. Een duik in de Hambroekplas, waarvan ik een piepklein strandje zie, tussen de bosjes bij een boerderij. Er staat een kampeerbus met een zwemster die mij aanraadt erin te gaan. Bivakzak = geen camping = geen douche, dus da’s mooi. 

(Intermezzo met mindere dingen:) Borculo is Friesland Campina. In de schaduw van de fabriek is een Albert Heijn waar iedereen zo’n beetje omheen schuifelt met winkelwagentjes en Qashqai’s en elektrische fietsen. Het centrumpje is beeldschoon en Landgoed Beekvliet is ook mooi. Een bivakplek langs de Slinge gaat niet, en ook de plekjes langs de Berkel zijn me iets te zichtbaar. Niet ongebruikelijk loop ik verhit heen en weer. Ik eindig tussen een maisakker en hakhout nabij het Hooge Erf. De nacht is warmig.

6) Vrijdag langs het Stelkampsveld (boeiend) naar De Kale Berg boven Barchem, waar een prachtig houten lezingenzaaltje is gebouwd door de Woodbroke Quakers. Zo in de afdaling bereik ik mijn ideale wandeltemperatuur: licht overmoedig, spottend, lamaarwaaien. En prompt begint de achterhoek op de Achterhoek te lijken. In Lochem staan allemaal bezienswaardige villa’s en de koffie van Semmelink aan de markt is heel goed. De taart ook. Ik koop een regenponcho van € 1,50 bij de Trekpleister omdat zoiets helemaal past bij mijn bui en hopelijk ook bij die ene bui die vrijdagmiddag gaat vallen (nee, geen regenkleding mee). Over een heel nat paadje tussen de Berkel en de akkers in richting westen. Met muziek op. 

7) Landgoed De Velhorst. Weliswaar overal bordjes met duurzaam en ecologisch erop – dat moet je in deze streek kennelijk heel nadrukkelijk uitdragen – maar de akkers en de lanen ogen fantastisch. Door, langs het water totaan Restaurant de Hoofdige Boer in Almen, waar ik met Lein in Coronatijd ook was. Scherpe lui, met eigen wandelroute en natuurlijk een lunch met een bokbiertje. Na een bezoekje aan de Spar begint het te plenzen en de Trekpleister poncho gaat aan. Die is doorzichtig, dat heeft Gore-Tex niet!
Langs het Twentekanaal, over de schutsluizen naar camping de Waldhoorn. De douche moest even wachten, eerst de hele inschrijvingsprocedure. ‘Heeft u niet gereserveerd? Dat is wel aan te raden hoor’ en met een nummertje aan de tent. Maar ook een biertje geregeld.

8) Dan het hoogste hoogtepunt dat ik al van verre zag aankomen: ’s ochtends om half zes op, om zes-vijftien langs het kanaal. De schutsluizen zijn fel verlicht maar de rafelrand van Zutphen is donker en stil. NIETS beter dan in de vroegste ochtend lopen. In de jaren-dertig-wijk knippen de eerste lichtjes aan, zaterdagochtendvoetballertjes denk ik. In het oude centrum glanst de ochtendschemering op de grachtjes. 

Om half acht de trein. Hup, koffertje uit de kluis in Arnhem en op naar Den Dolder, een bijeenkomst met mede-trainers van het NIOW. Maar die wandelaar in m’n hoofd, die blijft. 

Winterwijk- Zutphen, ca 117 km. Je kunt altijd bij mij de .gpx opvragen, of me gewoon een mailtje sturen als je iets wilt weten, wat dan ook.

The Emerald Isle

Ierland, 9 dagen wandelen, maart 2023

Dertig jaar lang kwam ik naar Schotland om te wandelen, dit voorjaar werd het Ierland. Even wat anders.

Er was een roodharige meisje in een wit overhemd, dat mij in 1994 in een trein in Kyle of Lochalsh vroeg ‘Can I take your litter?’. Ik smolt van haar tongval, zoals het een melancholiek wandelaar betaamt. Maar nu denk ik: dat was geen Schots, dat was Iers. Ook had ik een tijdlang een opdrachtgeefster die, wanneer de deadline naderde, mij iedere dag belde, om me in het Iers te instrueren over correcties, infographics en afbrekingen. Is dat voldoende reden om Schotland even te laten zitten en naar Ierland te willen? En waarheen dan te gaan?

Achill Island
De film ‘Banshees of Inisherin’ speelt op Achill Island. Ik heb de film niet gezien, maar koos toch die plek, want het voelt zo lekker ver weg. Drie uur trein vanuit Dublin, en dan nog anderhalf uur in een bus waarvan de chauffeur denkt dat het een terreinwagen is. En dan sta je in Dooagh. Alle huizen zijn er wit en langs de weg liggen twee pubs, waarvan eentje de bushalte is. Op een bankje waarvan de middelste plank miste, trok ik m’n regenbroek aan. Mijn loopbroek was in z’n eentje geen partij voor de Atlantische wind. 

De triomf van aankomen en dan gaan lopen is op een nieuwe bestemming natuurlijk sterker. Het zit ‘m vooral in de jeugdige overmoed die vrijkomt. Aan het einde van het eiland Achill ligt de berg Croaghaun. Die stak nog met de kop in de wolken, maar ik zeg maar zo: die berg is van solide steen, dus je kunt er op staan, en het waait weliswaar hard, maar ik weeg 80 kilo, en het is daar misschien nat, maar binnen m’n vel ben ik altijd droog. Nou ja, dat soort gebral dus. En inderdaad, de trucjes heb ik allemaal geleerd in Schotland. Als het zo hard waait uit west-zuidwest, dan kun je uitrekenen waar de beste kampeerplekken zijn: in een beschutte baai met de opening naar het noordoosten. Die vond ik op de kaart. Nog een goeie aanwijzing voor de betere kampeerplek: ruïnes. Achter mijn tent de resten van een bouwsel, ik zou zeggen 18e eeuws, en linksvoor een burial mound uit de steentijd. Dan weet je meteen dat er zoet water is, én een plek om je boot te water laten. Ik heb geen boot en begraaf geen mensen, maar dat gaat dus allemaal samen met beschutting, waar ik erg naar uitkeek.

De tweede dag vroeg ik me af: komen hier wel wandelaars eigenlijk? Ik sloeg linksaf, omhoog naar de top van Slieve Mor. ‘Slieve’ is wel een typisch Iers woord, mooi. Ik vond geen pad, hooguit een schapenspoor. Pluspunt van Ierland: er is meer mooi cultuurland is dan in Schotland, omdat het land eigendom is van kleine landeigenaren. Dat zorgt voor een minpunt: er zijn weinig paden, in elk geval niet waar ik keek. In Schotland heb je rights of way over grootgrondbezittersland, en die lui jagen, dus zijn daar veel paden de bergen in. 
De uitzichten waren puik, veel blauw in de lucht. Op de top loopt een blind schaap, die me wel ruikt maar niet goed ziet. De oostkant van Slieve Mor is steil, 700 meter naar beneden terug naar strandhoogte. Ik voorvoelde dat dit wel eens te veel kon wezen voor mijn dit jaar echt ongetrainde spieren. De rest van de dag zo’n beetje de kust gevolgd en maar doorgelopen wegens gebrek aan verscholen kampeerplekken. En toen stond ik voor de kleinste pub van Achill, Lynott’s. Klein? De kroeg meet 4 bij 7. 

Ik was op zoek naar een kampeerplek, maar kende de regels en de gevoelens omtrent wildkamperen niet.
“A pint please”, leek me een goeie opening om dat te weten te komen. En: “no Guinness please”, dat is me te droppig. Ik kreeg een glas Smithwicks Red Ale, (uitgesproken als Smiddicks). Het zal wel door het geloop komen, maar wat een heerlijk bier. Boven mijn hoofd hingen vlaggetjes die de Ierse opstand van 1916 herdachten. En links zag ik een fotootje van de kleinzoon van de stichter van de pub, Phil Lynnott, oprichter en bassist van Thin Lizzy, helaas dood (heroïne). Jahoor, hij was hier nog geweest. Het woord folk-lore betekent volksverhaal dus van de betrouwbaarheid van dit soort anekdotes moet je je niet teveel voorstellen.
“Can I camp somewhere around here?”, vroeg ik, niet om dan een adres te krijgen, maar om te peilen hoe mensen staan tegenover wildkamperen. 
“O, the neighbourhood-watch signs, ignore them, people won’t be scared if they see a tent”. Maar een echt antwoord kreeg ik niet. Pas toen ik betaald had en m’n waterflessen had gevuld kwam de man in de hoek met een ingeving: “Continue down the road to Ted’s, the next pub. They have an unused football field, they’ll let you on it”.
Buiten kijk ik op de kaart. Ted’s is anderhalf uur lopen. Ik sloeg een weggetje in naar de kust. Waar de autowrakken liggen, nee, nog iets verder, vond ik een mooi plekje, uitkijkend over de stille baai. Ook deze lag naar het noordoosten.

De volgende ochtend was alles vredig. Een vrouw die ik passeerde kwam me een half uur later achterop gelopen, roepend. Ze dacht dat ik de zoon was van een vrouw uit de buurt die deze winter zelfmoord pleegde. Zie ik er zo uit? Ik was wel duidelijk helemaal de enige vreemdeling, als je de autotoeristen en de wandelende Guinness biertaponderhoudsman niet meerekende.

Croagh Patrick, de heilige berg
Ik heb in Westport, een heel beschaafd stadje, even bijgetankt. Op maandag koos ik een wat meer gebaand pad: voorzichtig omhoog naar de top van Croagh Patrick, een berg gewijd aan de heilige Saint Patrick, die eens per jaar wordt vereerd met een pelgrimstocht. Daar doen zoveel mensen aan mee dat er in de keet van de Mountain Rescue een whiteboard hangt met 15 hulpteams erop. Hogerop kwam ik groepjes mensen tegen. Amerikanen die hun Ierse roots bezoeken, op gympen. En zo’n wandelman die me kwam vertellen dat het koud en gevaarlijk is en dat-ie zelf heel vaak op de top komt.
“In my youth I always was the one to accompany family and friends to the top. My mom always ordered me to do it”. Best geestig. Het gesprek eindigde natuurlijk toen we langs een jonge Amerikaanse kwamen en hij haar boven mij verkoos om zijn gezemel te lozen. De top was fantastisch winderig, met een mooie witte kapel erop. Uit de wind at ik wat en dronk de laatste thee.
Op de weg naar beneden vroeg bijna iedereen hoe ver het nog was naar de top. Ik lieg dan altijd ‘je bent er bijna’ tegen iedereen, zo hoort dat vind ik. Nooit andermans avontuur of zelfbeklag wegnemen.

De volgende dag viel er regen. Van die ‘dit gaat even duren’ regen. Ook in Ierland kun je regen ontwijken. Door in je tent te blijven, of door er een rustdag van te maken. Ik begon gewoon langs de weg te lopen, een uurtje ofzo. De secretaresse van Delphi Lodge pikte me op met haar Polo. 
“Would have stopped without you hitchhiking to see if you were okay”, begon ze. Wat aardig, het lijkt het noorden van Schotland wel. Als snel besloegen de ramen van mijn klammigheid dus ratelde ze haar kunstnagels over de ventilatieopeningen om de boel wat te luchten.
“I’m not going to Leenaun, but that’s only ten minutes down the road”, zei ze. Ze dacht na en vult aan: “by car, that is. I guess you can reckon how far that is on foot”. Drie uur, dank je. Ik liep weer een uur, stond dan een uur stil te liften in de luwte van een windsingel bij een boerderij, en liep nog een uur. Toen werd ik opgepikt door Derek. “You’re lucky that I picked you up”, beweerde hij. Nee hoor, liften lukt altijd, maar je mag best mijn gelukje spelen vandaag. Derek heeft een tearoom aan de voet van Croag Patrick. Hij vertelde uitgebreid hoe hij dit jaar vier varkens heeft grootgebracht om z’n eigen bacon en gerijpte ham te kunnen verkopen. Hij zette me af in Letterfrack, precies waar ik heen wilde.

Old World Style
Letterfrack is een tourist trap, op Google gevuld met tweesterren hotels.  Vieze plaatjes van borden met eten en reviews over klamme lakens. Maar. Net als in Ullapool of Tobermory in Schotland is er altijd een fijne plek te vinden. In Letterfrack is dat Books At One, waar een heerlijk stel zestigers een uitgeverij runt en ondertussen zeer te pruimen amandelcake bakt. Daar ging ik lekker zitten, de telefoon in de lader. De uitstekende koffie trekt boekenwurmen van heinde en verre. Achter de bookstore gaan trappen omhoog en die leiden naar het Old Monastery hostel. Ik ging naar binnen, waar het rook naar oude tapijten, wierook en linzen. Old world style, heet dit op de website. Bovendien kwam een moederig type, gehuld in demonstrantentrui, mij haar pesto van daslook aanbieden. Goed dat je buiten op het grasveld mag kamperen. Chef Stefan, een oude Grüne Duitser, rekende daar € 15 voor. Fijn! (Ik wist toen nog niet hoe slecht de douches waren).

Laat ik eerlijk zijn: ik was niet zo fit dit jaar. Ik had noch in de sportschool, nog in de duinen ook maar iets aan m’n fitheid gedaan. Behalve een regendag was dit dus ook een verplichte rustdag. Woensdag zou het nog natter worden, ‘zeiden ze’ maar toen die dag eenmaal aanbrak, speurde ik het weerbericht door op zoek naar een minieme aansporing om de plek te verlaten. Ik kocht eten, brak op en teutte voor vertrek nog wat in de bookstore. Met twee appreciative readers (zoals klanten hier heten) praatte ik over de verengelste namen op de Ierse kaarten. Iers wordt nog gesproken, maar op de kaarten staan alleen fonetische termen die Engelsen bedacht hebben. In Schotland wordt Gaelic bijna niet meer gesproken, maar de kaarten staan er vol mee.
“Did you say you studied topography?”, vroeg Vincent Murphy, eigenaar en koffiezetter.
“No, I said typography, but I’m particularly fond of typography on maps, so yes, topography too”. Hij liet me wat boeken van de uitgeverij zien, kunst en landschap uit Connemara. Met zulke lui kan ik het wel vinden.

Het weer bleek niet zo goed. Op de berg, die gewoon laag is, waaide het veel harder dan ik had afgeleid uit de windsnelheid in het dorp. Dat verband ligt hier anders dan in de Highlands, het lijkt meer op de wind zoals die is op de Schotse eilanden. Staat er in het dorp een stijve bries, dan word je op 500 meter hoogte van je sokken geblazen.

Tijdens de afdaling mikte ik zuidwaarts, richting de Twelve Bens. Al snel zag ik twee bomen en een ruïne. Daar is de wildkampeer-tip weer: ruïnes, daar woonden mensen en dus is het daar afgewaterd, en waarschijnlijk is er een helder beekje. (Voor andere bezigheden en/of andere landen volg je liever de redenering ‘ruïnes, daar zijn mensen vertrokken en dus is het er niet best’.)
Die Twelve Bens lieten zich niet zien, de volgende dag. Toch klom ik omhoog. Eerst Maumonght, met een rotsige top. Dan A’Chailleach (wijze oude vrouw), dan Muckanaght, Binn Fraoigh en An Bhinn Bhán (de witte heuvel). Naarmate de dag vordert worden ze steeds rotsiger. Om een uur of drie bedacht ik dat Five Bens wel voldoende was. Al die wind, alsof ik de hele dag in een schuddende metro met open raampjes had gestaan. Ik keek op de kaart of ik er op een logische manier afkon. Net toen ik dat had uitgedokterd, kropen de wolken iets omhoog langs de rauwe stenen hellingen. Het zag er goed genoeg uit om een ander jaar terug te komen. 

Klim er maar op
Donderdag regende het weer. Ik liep het dal uit, de weg langs, de Western Way op. In het begin van de middag leek het droger te worden. Omdat de Maumturk Mountains aan mijn linkerhand er zo aanlokkelijk ruig uitzagen, maakte ik, waar de route definitief op asfalt overgaat, een abrupte draai naar links. Ik liep zelfs een stukje terug. Echt, soms moet ik me even alle andere gelegenheden waarbij ik als een oen ‘om een berg heen’ ben gelopen in herinnering brengen. Klim er maar op, dan zie je wel weer.
Ik raakte meteen in een opperbeste stemming. De Maumturks zijn niet hoog, wel woest. Een ruigheid die groeit in de mist, alles wordt groter, onbekender en onduidelijker. Twee toppen verder kwam ik zowaar twee mensen tegen. Ze vertellen me dat er de volgende dag (1 april) een challenge is: alle Maumturks in één dag, mag rennend. Het is 28 kilometer met 3.000 meter klimmen. En dat in dit apenterrein. Ik vertelde ze dat ik wilde gaan kamperen bij het kapelletje op de volgende pas, en ze vertelden me dat dat één van de checkpoints is, waar alle lopers langs moeten.
(Maumturk is een Engelse verhaspeling van Sléibhte Mhám Toirc, iets als ‘bergrug van de pas van het zwijn’, of misschien ‘met een pas waardoor je zwijnen naar de markt brengt’)

De volgende ochtend om zeven uur regende het flink, maar de eerste renners kwamen al langs. Ik ontbeet en wachtte tot de regen over trok. Ik liep een stukje terug naar het checkpoint, waar me prompt om mijn deelnemerspapieren werd gevraagd. Zoals het wandelaars in deze contreien betaamt waren ze allemaal geamuseerd toen ik vertelde dat ik de andere kant op zou lopen. Op de volgende heuvel werd ik even ingezet om een achterblijvende wandelaar te vragen naar zijn welbevinden. De heuvelrug strekte zich nog veel verder uit dan me lief was, slingerend en eindeloos rotsig, maar toch was ik op tijd beneden om de bus te kunnen halen in Maam Cross, inderdaad, een kruising van wegen. Ik reisde naar Galway, kauwend op roomboterkano’s.

Wandelen in Ierland
Mijn eerste indruk is dat Ierland fijn wandelen is. Fijne lui, goed vervoer. Veel cultureel erfgoed van steentijd tot industrieel, lekkere geologie. Ik heb vrijwel geen paden gezien, het zou beter zijn als er informele paden of rights of way zouden zijn. Maar het is wel lekker ongebaand. De 1:25.000 kaarten zijn niet heel goed, ze missen nauwkeurige hoogte- en terreininformatie. De losse (papieren) kaart van Harveys, met alle bergen van Connemara, is uitstekend. 

Nadelen zijn er ook, voor zover ik dat na 9 dagen kan zeggen. Het is tyfusnat op de grond en het landschap is grotendeels ‘sheepwrecked’ (bijna alleen gras, weinig loofbomen, struiken of kruidenlaag). Als je iets wilt maken van bijvoorbeeld Connemara National Park, dan moeten die schapen, waar niemand een reet aan verdient, achter een hek. Gewoon niet meer overal laten lopen. Begin snel met rewilding, dan verdien je veel meer, aan toerisme en visvergunningen. Zie Glen Feshie in mijn vorige verhaal: landeigenaar en miljardair Anders Hoch Povlsen kocht de estate en schopte de kaalvretende hertenplaag eruit en *ploef* binnen vijf jaar een explosie van planten-, insecten- en vogelsoorten. Schitterend. Hij koopt lekker door trouwens (nu 100.000 Ha). 

Het grootste minpunt, is dat ik NUL roofvogels heb gezien. Heel bijzonder, 9 dagen 15 uur buiten én een oog voor roofvogels en ze dan niet zien.

Rugzakken van 6,6 kilo mogen gratis mee als ruimbagage. Toch 60 euro korting.
Savoir-Fare in Westport, county Mayo, heeft een Bourgondiër als eigenaar. Niets dan heel ambachtelijke producten. Op de foto een Bretonse cheesecake, zo volvet als wat, superlekker. Daarvoor had ik ‘1 kaas’ besteld. Hij komt dan vragen ‘hard, zacht, blauw, jong, oud?’. Ik kreeg een Barr Rua, een rauwmelkse, alpine stijl kaas, met bietenchutney. De gastheer dempte zijn stem toen een gesprek met een klant wat al te on-vegetarisch werd. Hij was op zoek naar bepaalde klieren van een rund om traditionele gerechten mee te maken (ik denk zwezerik), en hij vond het moeilijk om een slachter te vinden die dat goed kon leveren. Zie je, een karkas laten ze besterven, dan krijg je beter vlees, maar die onderdelen die hij wilde moesten er eigenlijk meteen uitgesneden worden. Nou ja, heel plastisch allemaal. Ik hoop maar dat dit soort vaklui weer in de plaats komen van de kiloknaller-jongens.
Dooagh, op Achill Island. Zover komt de bus, goed geregeld!
Achill Head vanaf de helling van Croaghaun, die bezaaid is met stukken versteende rivierbedding (je ziet hier een grindbedding en een zandige/kleiige bedding in 1 steen)
De branding en Saddle Head vanaf Croaghaun. De branding ligt 600 meter lager dan de bergrug.
Kampeerplek aan beschutte baai. Helemaal links de omtrek van een graftombe uit de steentijd.
Verlaten dorp onderaan Slievemore.
Uitzicht vanaf Sliebhe Mhor. Je ziet county Mayo, de Nephin range. Mijn route volgt de kustlijn buitenom en gaat rechts uit beeld.
Om een ‘shruffle’ over te steken moesten de schoenen aan de rugzak. Daardoor raakte ik mn ouwe blauwe mok kwijt (hij zit hier al uit het zicht onder de linkerschoen). Een Shruffle is een verbinding tussen een lagune en de zee, die bij eb verandert in een riviertje van 500m lang. Veel wier en stenen.
De helft van Lynnott’s Pub. Erg lekker bier.
Phil Lynnott, oprichter van Thin Lizzy. De eerste niet-witte muzikant in de Britse hardrock-scene in de jaren 70. Onmiskenbare stijl op de bas.
Nah, hier kan wildkamperen wel. Salia Bay.
Ik kon deze haring er slechts met veel geweld in krijgen. Dat kan kloppen, je ziet hier de punt van de haring. Zeker moe?
Drogende turf voor in de kachel, Achill Island. Je ruikt de turf ’s avonds uit de schoorstenen. Omdat het zo ongezond is stoken weinig mensen het nog, is het verhaal.
De kapel op de top van Croagh Patrick.
Saint Patrick in de kapel op de top van ‘zijn’ berg.
Gelukkig is er het toerismebureau, voor zonnige foto’s.
De Sheeffrey Hills lagen op de route, maar het weer werd slecht. Ik kampeerde hogerop, maar keerde terug in de nacht. Het rode tuinhuisje links heb ik geprobeerd als slaapplek. Er stond een mooi bankstel, maar een inbraak wilde ik niet op m’n geweten hebben.
In dit stalletje sliep ik de slaap der onschuldigen. De stal was de zesde plek die ik probeerde. (later meer daarover)
Liftend/lopend onderweg naar Letterfrack.
Op het veld van het Old Monastery Hostel. De bouwsels rechts zijn ook kamers.
Een ruïne en bomen zijn een duidelijke aanwijzing voor beschutting en vers water. (De hoek van het bos in de verte zou ook kunnen, maar dat moet je dan gaan uitzoeken…)
Het hek is er ook bij gaan liggen. Op Muckanaght.
Stenige boel met een korstje van veen, onder Binn Dubh. (Vanuit het dal gezien is 1 berg donker (een noordhelling) en 1 berg licht (een zuidoosthelling). Ze hebben dezelfde steenkleur maar heten Binn Bhan (licht) en Bhinn Du (duister).
Ja mooi he? Vlakbij de rivier is het land iets beter afgewaterd, en dus sta ik daar.
Ben ik nou een onderbroek aan het wassen op 60 graden?
Zo nat is het dus.
Verlaten plek Tallaghnamuinga. Links voor en midden tegen de berg zie je ‘lazybeds’, ook wel Celtic fields, waar grond en stenen zijn opgeworpen tussen greppels. Ook is er water, een vlakke plek voor een huis en kraal. En dus ook goede kampeerveldjes.
Als je dit ziet, dan wil je toch niet over een weggetje tussen de schapen lopen? Dan wil je toch omhoog?
Direct achter het meertje omhoog, dat ziet er vanaf hier verticaal uit. Dat is het helemaal niet, en dat is handig om vantevoren te weten (ervaring of goed kaartlezen)
Naar het zuidwesten lopen de bergen over in een vlakte met tientallen meren.
Lekkerrr. Op Barr Sliabh na Raithe, onderweg naar Binn Idir an Da Log
Veel prachtige kwartsiet-intrusies, fel wit in de mist.
Mja, bijna alle veterlusjes blijken doorgerot/gesleten te zijn. Het is een lichtgewicht vervanging van metalen veter-oogjes, geen goed idee als je heel nat wandelt.
St. Patricks kapel op de Mam Éan. Het kleine huisje achteraan is het checkpoint voor de Maamturk Challenge.
De Maamturks Challenge (weer een andere spelling van de bergrug) is op 1 april, maar geen grap. 217 deelnemers en 47 vrijwilligers kunnen de hele bergrug over, 25 kilometer met 2800 meter hoogteverschil. Er zijn 2 finishmogelijkheden voor mensen voor wie de eindstreep te ver ligt. Ik heb ca 15 km van de bergrug gedaan, in twee dagen…
Veel fotogenieke watertjes om de Maumturks. Hier op Corcogemore.
‘Latin Quarter’ in Galway in de namiddag. Echt gezellig, zeker als steeds meer muzikanten (goeie!) zich op straat begeven.
Route van Dooagh, langs de buitenkant van Achill Island naar Mulranny, het rechterdeel van de route over een verlaten spoorlijn.
Route van Dooagh, langs de buitenkant van Achill Island naar Mulranny, het rechterdeel van de route over een verlaten spoorlijn.
Route van Westport naar Maam Cross in Connemara. De route is verbrokkeld door een slecht-weer-dus-rustdag.

TGO Challenge 2022, ‘nabespreking’

Wat, 2022? Het is 2023 man. Schiet eens op.

Ja, ik ben deze keer erg laat met schrijven over mijn jaarlijkse Schotse tocht. Hoe zat het ook alweer? Ik ging meedoen aan de TGO Challenge, waarbij je vanaf één van 14 startpunten langs de Schotse westkust binnen 15 dagen moet oversteken naar de oostkust. 

Eerder schreef ik over het maken van die route (hier). Dat was nogal leuk. Ook was ik in aanraking gekomen met een leuke groep mensen, de ’Challengers’, een bepaald soort wandelaar. Ze houden van Schotland en van wildkamperen. Naarmate de tijd vorderde ontdekte ik dat de meeste wandelaars niet erg originele routes volgden (dat hoeft ook niet), dat ze graag mikten op de sociale kant van het wandelen, en dat ze op z’n zachtst gezegd nogal georganiseerd waren. Bijna anti-avontuur. Ik kreeg het er een beetje benauwd van.

Het grappigste is natuurlijk dat je jezelf gaat vergelijken met die andere wandelaars.
“Ben ik ook zo?”. Haha.

Mijn start was in Kilchoan, op Ardnamurchan, een schiereiland waar je een trein, een boot, een bus en nog een boot voor nodig hebt om er te komen. De eerste dagen was ik lekker aan het rondstampen, langzaam slingerend naar het oosten. Dagelijks arenden gezien, zowel steen- als zeearend. Er waren 80 uitvallers vanwege het slechte weer, dat ik grotendeels wist te missen. Ik loop nu eenmaal niet volgens de klok maar volgens m’n neus. Ik genoot de eerste vijf dagen volop, vooral omdat ik lekker afgelegen heuvels in m’n route had opgenomen. Toen stak ik de Great Glen over naar Fort William. Van daaraf wordt het landschap weidser, braver, met meer mensen en meer aangeplante bossen. Voorbij Dalwhinnie komen daar grouse moors bij, zeg maar extensieve pluimveehouderij. Erg. Van elke streek waar geen roofvogels vertonen krijg ik activistische neigingen. Volg @raptorpersecutionscotland maar, dan snap je wat ik bedoel. Wel had ik regelmatig goed gezelschap.
Het Cairngorms National Park stak ik hoog over. Erg overtuigend. Pittig weer, harde wind. In Braemar viel ik, zoals voorspeld, in de sociale kant van de Challenge. Hoogtepunt was een gesprek met de eigenaar van Loch Callater lodge, over de effecten van het gelijktijdig drinken van cider en whisky. De rest van de tocht loopt over cultuurland en jachtterrein naar de kust. Na 375 kilometer en 17 bergen en bergjes stond ik op het strand bij Montrose. Op zo’n langere tocht heb je meer dagen waarop je van je sterke benen kunt genieten.

Mijn wandelmodus is “eenling die ontsnapt”, dankzij een eigenzinnige route met de nodige onlogische keuzes. Ik kampeer hoog, liefst. Snelheid is niet van belang. Ontsnappen was er deze keer niet bij, want ik moest mijn route volgen en me eens in de paar dagen melden bij Challenge control. Er kijken mensen méé, jeetje. Verder oostwaarts is de Challenge voor mij toch te collectief. Of ik ben teveel snob. De gesprekken over routes en tegenslagen, de schouderklopjes over de afstanden, ze stonden me tegen. Overgeorganiseerde mensen vinden iets gauw een tegenslag. Echt wel wat bijzondere mensen ontmoet hoor, maar dat gebeurt zonder Challenge ook. 

Maar lijk ik nou op die Challengers? Jawel, vooruit. Ik ben ook een neuroot met m’n spullen. En ik ben tijdens het lopen nogal anti-autoritair. Dan is het leuk om gelijkgestemde ‘stravaigers’ tegen te komen. Dan kun je mooi kletsen over gekke uithoekjes. Maar verreweg de meeste wandelaars zijn nogal gefixeerd op kilometers en de exacte route. Dat vind ik geen wandelen.

Om kort te gaan: leuk experiment, maar ik zie er geen voordeel in om vaker mee te doen met de TGO Challenge. Misschien als ik boven de 70 ben weer eens, dan is de ondersteuning erg prettig denk ik. Erger nog: ik ging dit voorjaar voor het eerst sinds meer dan twintig jaar niet naar Schotland. Ik probeerde Ierland, The Emerald Isle. Onontgonnen terrein, jammie. Da’s m’n volgende stukje.

De roze lijn van kust tot kust is mijn route van Kilchoan naar Montrose. Westelijk van Fort William is ie het verrassendst.
tobermory to kilchoan ferry
Veerboten, da’s echt reizen. Veel staal, touw en olie, overal water, harde wind, heerlijk. De veerboot van Tobermory naar Kilchoan.
TGO Challenge register kilchoan 2022
Met 7 man gestart in Kilchoan, iedereen braaf om 9 uur (= nat pak), ik om 12.10. Had Innes McKendrick wel willen ontmoeten, jammer.
Rhum and Eigg as seen form north coast of Ardnamurchan, Scotland
De eilanden Rhum (links) en Eigg vanaf de noordkust van Ardnamurchan. Lekker de kustlijn volgen en kamperen tussen de rotsen later. Ik hoef eigenlijk niet zoveel meer dan wat kust en bergen, echt altijd leuk.
Derelict villages in Ulgary, Glen Moidart, Scotland
Een reeks verlaten dorpjes bezocht in Glen Moidart. Pokkeweer. En hoe deden mensen dat, hier wonen?
Kampeerplek in Glen Alladale. Altijd lekker eten en luieren.
Deze afdaling van Beinn Odhar Beag was me ontraden door de veteraan die mijn route controleerde. Ik vind dit soort chaos juist erg leuk en wilde het navigeren en prutsen tussen de rotsen niet missen. Glenfinnan ligt in de diepte, met de belofte van lekker eten.
Duidelijk toerist. Warm weer, maar dat is maar voor even. Heel fijn sjaaltje trouwens, gemaakt door Esther Vijftigschild.
Ardgour peaks in a row, seen from Stob Coire a'Chearcaill
Ardgour, toch wel het mooiste gebied aan de Schotse westkust (na Coigach). Zicht op nieuw slecht weer vanaf Stob Coire a’Chearcaill, de 4e berg in de route.
Deze groep koeien besloot hard op mij af te rennen. Pure nieuwsgierigheid. Ik wilde iets versnellen maar moest het echt op een lopen zetten. Daarbij verloor ik mijn telefoon. Ik sloeg hard rechtsaf de rivierbedding in om de koeien af te schudden en maakte een omtrekkende beweging. De telefoon vond ik, dankzij de allerlelijkste paarse hoes, terug in de modder. Er was niemand overheen gedenderd. Aan het einde van het glen staat een hek met een bord om je te waarschuwen voor deze figuren. Ben Nevis op de achtergrond trouwens.
Gewassen sokken drogen in de douche van Fort William Station.
Vanaf Fort William volgde ik een opgedoekte spoorlijn. Altijd fijn wandelen op een voormalig talud. Wel waren de bruggen niet meer zo in shape. Ik heb de rivier onder de brug proberen over te steken maar er toch van afgezien.
Ja, ik heb altijd wel lol. ’s Ochtends Sgurr Innse beklommen, laat in de middag Binnen Shuas, top nr 7 van de route. Ik was van plan er bovenop te kamperen, maar de wind-voorspelling zei 55 mijl per uur. De tent kan daar tegen (getest in storm Eunice op een veld in Bloemendaal) maar het is helemaal niet leuk om er dan in te liggen.
Idyllisch kampeerplekje. Maar het lastige met langwerpige valleien is dat de wind, eerst haaks op de vallei, als ie aantrekt, plots van richting kan veranderen. Zo rond 23u bleek dat de tent met de kop in de wind stond, en dat kan niet met deze tent.
Ook in seizoen twee van The Crown was het op deze plek al te winderig voor het leuke (Prins Philip die Charles mee uit vissen neemt terwijl Koningin Elizabeth worstelt met het picknickkleed). Binnen Shuas als achtergrond. Toen ik hier liep kwam ik ook filmploegen tegen. De Arverikie Estate verdient wat bij als filmlocatie. Dure lui in Range Rovers.
Hier ga ik een apart stuk over schrijven: ’s nachts opbreken, een stuk lopen en in het donker op een beschutte plek weer neerstrijken. Enorme kick.
Geweldige avond gehad. Eerst de tent hoog geparkeerd tussen twee toppen, dan wat eten, dan Cruach Innse beklimmen. Fantastisch. Opentrekkende wolken, fijne geologie. Bij terugkomst meer eten natuurlijk.
Het mooiste is nog dat je tijdens de afdaling je tent weer in het oog krijgt. De berg achter de tent (Sgurr Innse) heb ik de volgende ochtend beklommen, voordat ik opbrak om de tocht voort te zetten door het apenterrein links in beeld.
Met Gerry (77 jaar, flinke rugzak) op de top van Meall Chuaich, de eerste Munro van de route. Hij loopt als een kievit. Leuke conversaties ook. ’s avonds samen gekampeerd in Glen Feshie. Gerry ontdekte hoe veel hij eigenlijk bij zich had (2x het gewicht van mijn rugzak) en begon allerlei etenswaar te slijten bij mij.
Glen Feshie. Drie paarden en een helikopter bij onze kampeerplek. Heli buiten beeld. Die steeg om half zeven ’s ochtends op om de rijke mensen weg te brengen. Soort ‘Succession’ zeg maar, zo’n heli ook.
's Ochtends rond een uur of 4, toen het lichter werd, bleek dat onze kampeerlocatie een baltsheuveltje van een groepje korhoenders was. Heel bijzonder. Ze maken klokkende geluiden terwijl ze hoog opspringen.
’s Ochtends rond een uur of 4, toen het lichter werd, bleek dat onze kampeerlocatie een baltsheuveltje van een groepje korhoenders was. Heel bijzonder. Ze maken klokkende geluiden terwijl ze hoog opspringen.
Glen Feshie. Hier zie je wat er gebeurt als de landeigenaar de schadelijk grote populatie herten weghaalt: van kaal naar weelderig in een paar jaar.
Het leuke van de Challenge is dat er een aantal routes zijn die zo standaard zijn dat ik ze niet wil nemen. Dan ga je speuren naar alternatieven. In de blogs van Chris Townsend (een enorme doorloper die echt niks kan met de wereld en altijd in zijn tentje wil zitten) vond ik deze route omhoog door Coire Garbhlach en dan zo het Cairngorm plateau op. Het was qua terrein wel aanpoten, maar niks geks en wel perfecte vreemdheid en stilte.
De tent neergezet bij Loch aan Stuirteag (het meertje links op de foto). Soort van trofee-kampeerplek. Daarna gezelschap gekregen van Scott (je ziet twee tentjes aan bij het lichte deel van het meer). Ik beklom in de late middag Monadh Mòr en Beinn Bhrotain (in de regen enzo). Daarna werd de wind nog sterker en heb ik de tent een kwart slag gedraaid om de wind de baas te zijn (die eerst uit het zuiden kwam maar door de vallei getunneld werd zodat ie uit het westen leek te komen later)
Onderweg naar Beinn Bhrotain. Mooie vorstpatronen en vers slecht weer in aantocht. De harde wind en koude regen waren wel een beetje op t randje met fluttige ‘zomerkleding’.
Ben MacDui (24 jaar geleden beklommen, haha) gezien vanaf The Devil’s Point. Die laatste naam is Victoriaans verpreutst, want ‘Bod am Deamhain’ betekent gewoon ‘pik van de duivel’.
Op de camping in Braemar, en daar Fish’n’Chips gegeten met Gerry en daarna de Stag Bar in voor een rijk toetje en wat bier. Minstens 30 challengers in Braemar.
Loch Collator Lodge, waar de gastheren van het hostel een soort zoete inval hebben voor Challengers. Lekker bacon butties en veel thee. Hilarisch gesprek gevoerd met de grootste drinker van het stel over cloudy cider en whisky, en hoe je daar de controle over je lichaam ledemaat voor ledemaat door verliest.
Sticky toffee pudding opwarmen. Echt sjiek.
Hoge kampeerplek weer, behoorlijk beschut en vlak onder de top van de volgende munro, Mayar.
Glen Clova. De route kwam van rechts over de heuvels aan de overkant, dan langs het hotel (daar tussen de bomen) en dan aan deze kant weer de berg op. Dat lukt, na 12 dagen lopen.
De meeste Challengers lopen over asfalt de laatste twee dagen naar de kust. Ik heb net zo lang gezocht tot ik een route over onverharde wegen en akkerranden gevonden had, maar moest wegens veel omgewaaide bomen toch overschakelen naar meer asfalt dan ik leuk vond.
Klassiek TGO-toetje: een paar kilometer van het strand van Kinnaber ligt een ‘Strawberry Farm’ waar je erg lekker kunt eten.
De Noordzee, na 15 dagen lopen (met 17 bergen/bergjes, 377km gelopen en 10.800m geklommen)
Blij ei!
And all I got was this lousy t-shirt. Fijne ontvangst aan de eindstreep, maar vlug naar Aberdeen verkast voor een hotelletje en dan de vlucht naar huis. (Heb uitgezocht of ik met de trein kon, maar da’s echt twee dagen werk en kost een fortuin, relatief)

Koninklijk geboosterd op de Veluwe

‘Plek 13, dat is waar mijn ouders stonden vorig jaar’, zegt zij, zo’n vrouw die over de kinderen praat zodra ze de kans krijgt.
‘Als plek 6 meer zon heeft dan plek 13, dan heb ik liever die’, zegt hij, een man die met joligheid verhult dat dit zijn grootste beslissingen zijn.
‘Pinksteren plus twee weken, da’s een dinsdag, maar de plek is vrij totaan die zaterdag. Dat maar doen dan?’, zegt de vrouw achter de balie, als ze haar charme inzet om de boekingen te laten aansluiten. Ik ben in Vaassen, op Beste Charmecamping van 2020. Ik wacht dan al achttien minuten op mijn beurt. Lang genoeg om vervolgens de vraag te krijgen: ‘bent u met de caravan?’

Maar hee, ik kan dit hebben. Ik ben namelijk die dag gevaccineerd tegen charmecampings, door de nieuwe Koning van de Veluwe.


Op donderdag 28 oktober vul ik mijn rugzakje uit de kampeerkrat. De vermoeidheid van hard werken kun je er maar beter af wandelen. Volgens het weerbericht ziet het er slecht uit voor de geplande tocht van Delft, via Voorne en Goeree naar Tholen. Het wordt dus een ‘vrije wandeling Veluwe’, waar wind en regen allicht minder vat op mij gaan hebben dan bovenop een Zeeuwse dam.

De Veluwe verrast niet, die vrijdag: de Kia’s met zo’n rek vol elektrische fietsen, het zijn er teveel voor het piepkleine Nationaal Park. Maar als ik wat verder van de ingang weg ben blijkt dat ik de Veluwe onderschat heb. Het elixer van reliëf en paden, slingerend in en uit bos, zakkend naar open veld, stijgend uit stuifkuilen, vloeiend samenkomend of schuchter splitsend, verrast me wèl. Zien hoe de paden lopen, wat ze brengen, ik krijg er nooit genoeg van.

Zaterdag regent het de hele dag. Ik sta droog op, trek bij het eerste licht de regenspullen aan en krijg gratis koffie van het personeel van de Spar in Hoenderloo. Het bos is nat en donker, en ik zie overal everzwijnen in. In schuin afgezaagde stronken, in de wortels van omgewaaide sparretjes en in lage struikjes van bosbes of hulst. Het bos is ook leeg, dankzij de buienradar.
Dan daalt mijn pad op de allermooiste manier naar de bosrand en sta ik op stuifzand, onder de grijze hemel. Een spoor van weggeregende voetstappen loopt omhoog een bult op. Daarna daalt het en voegen van links en van rechts drie sporen in. Drie maal grote pootafdrukken van honden. Gezamenlijk gaan de hondensporen en mijn paadje door een barrière van struiken en dan heuvelop. Ik kijk – bovengekomen – in de doordrenkte verte en zie de toren van Radio Kootwijk. Ik kijk naar beneden en zie … een gigántische hondendrol. Vol met haar.

– Zap! –

De Kia’s, de slechte horeca, de drukke mountainbike trails en alle ANWB-parafernalia verdwijnen met een zuigende zzzapp in het niets, als in een vliegtuig-wc. De vaccinatie werkt onmiddellijk, je voelt ‘m door je lijf en over je huid trekken. Ik hou mijn adem in. Alles is anders. Ik zie geen ‘aantrekkelijk landschap met fietsroutes voor alle leeftijden’ meer, maar spied in coulissen van jeneverbes en berkjes en lang rossig gras. Links, rechts, voor me uit, steeds opnieuw. Word ik bekeken door een paar gele ogen? Het doet er niet toe, ik ben in een andere versie van de Veluwe. Die van de wolf.

Vanaf dat moment voel ik me als herboren. Een wonder. Alles is scherp in beeld, elke tak, elke zwam, elke stronk. En aan het einde van de dag onderga ik De Charmecamping met groot gemak. Lachend trek ik een doos over de led-verlichting naast de tent, grijnzend breng ik mijn ravioliverpakking naar de milieustraat, grinnikend zing ik mee met SkyRadio in de douche, proestend loop ik langs de duurzame camperwasplaats. Al dat potsierlijke decor waarmee we ons omringen, voortaan weet ik hoe eromheen moet kijken, weet ik wat er nodig is om de onttovering van de wereld in één klap terug te draaien: 

Eén flinke, harige drol.


De Drol. Een wolvendrol is bleek en harig als er weinig vlees meer aan het prooidier zit… (Of dit echt een wolvendrol is kan ik niet zeker weten, maar het effect is er niet minder om)
Finse wolvendrol, iets minder verregend dan de Veluwse.
Hondensporen die vanaf het stuifzand door een opening in de struiken het pad opgaan, zijn gezet na het begin van de regen, zónder voetsporen van een begeleidend baasje. Daar was ik even over aan het puzzelen
Mooi pad in landgoed Lichtenbeek bij Oosterbeek (ik volgde deels de route van het Veluwe Zwerfpad)
Het Braamsveldje, NP Hoge Veluwe, onderweg naar het Deelense Veld
Op het Deelense Veld, het pad daalt naar de beek die uit ‘De IJzeren Man’ vloeit.
Aanrader: de Natuurcamping bij ingang Hoenderloo. De thee is door Frederiek in haar schooltuin geplukte citroenverbena, geweldig lekker.
Groepje everzwijnen / boomstronkjes
Hoe dit pad daalt vanuit het donkere bos naar de lichte bosrand, verrukkelijk.
Hoog Buurloose Heide
Bilderberg Hotel de Keizerskroon. De naam lijkt heel wat, maar het gebouw is een soort brutalistisch rijtjeshuis uit 1980.
De voorbereiding voor een wandeling bestaat bij mij bijna alleen uit het zoeken naar geschikte horeca. Want die is matig, buiten de randstad (jee, wat zeg ik nu!). Deze tent was okee, vooral omdat de eigenaren ook een wijnhandel hadden aan de overkant. Kleddernat binnengekomen, maar bij vertrek was de regen een stuk minder. Zo hoort het.
Op het Maarten van Rossumpad, van Apeldoorn naar Vaassen, volg je lange tijd een lege strook land, vrijgehouden om er de N50 op aan te leggen. Koningin Wilhelmina vond de weg te dicht langs haar landgoed lopen en keurde het af. Zelfs zandlichamen van viaducten liggen er nog.
Pad en doorgang uit de tuinen van het Kasteel Vaassen, na bitterballen en bier in het koetshuis.
Charmecamping in Vaassen.
Het Wisselse Veen
Tongerense Heide
Tent drogen en luieren, zolang de zon nog schijnt
dreigend weer op de Elspeetsche Heide, na een matige omelet in Vierhouten, wel met goed lokaal bier.
Kleddernat bos zondagavond, deze foto is met hoofdlamp licht…
… maar meestal heb ik rood licht aan, voor de dieren en tegen ontdekking, lekker spooky.
Leuvenumse bossen, heel mooi en kleddernat met de beken buiten hun oevers.
‘Zonder titel”
Laatste stukje onderweg naar Harderwijk.
De hele route van vrijdagmiddag twaalf uur tot maandagochtend half tien. Een mix van Veluwe Zwerfpad, Maarten van Rossumpad en het nodige doe-het-zelf werk. Leuke route, beter dan ik verwachtte.

Een Fries huilt niet.

15 – 19 april 2021

Hij had zes, nee acht gouden ringen in elk oor. Al zijn tanden waren met goud bedekt. “Ben je op vakantie hier?” vroeg hij – een variant van de basisvraag ‘wat brengt je hier?’ – op de zonnigst mogelijke toon. “Ik ben aan de wandel” zei ik, en hij antwoordde “ik zit in de ijzerhandel, ik haal een paal op bij nummer 7”. Veel meer liet hij niet los, de vrolijke toon was bedoeld om mijn verhaal los te krijgen, niet het zijne. Dát werd verteld door de vier getatoeëerde tranen op zijn linkerwang.
Ik zat op het bankje midden in Oldeberkoop, met de rug naar de kerk en het gezicht naar de kruidenier en de bakker. Het voelde als lunchtijd, maar het was nog geen tien uur. Dat kwam omdat ik al rond half zes door een rietzanger was gewekt om niets te missen van de zonsopkomst in het rietland langs de Linde. En om daar weg te zijn voordat de graafmachines van de grondjongens er ronkend een nieuwe meander zouden gaan graven. Ik was zo vroeg langsgelopen dat de eerste koffie in de schaftkeet nog niet eens was ingeschonken. Ik had gezwaaid naar de opzichter die net uit zijn Opel stapte.  

Na Oldeberkoop liep ik langs de Tjonger, met aan de overkant een vrouw met een boodschappentas. Ze liep gelijk op, ik zag niet waarheen. Voorbij een flauwe bocht lag een aak, daar ging ze naartoe. Het schip was perfect onderhouden, waardoor de naam op de boeg – Swiebertje – plots mijn band met de bewoners duidelijk maakte. We willen een onbezorgd, soms zwervend bestaan, maar wel met goeie spullen. Lifestyle-Swiebertjes.

Heel wat boerenland verderop, bij Hemrikerverlaat, rustte ik bij een Rustpunt.nu.
“Wil je er appeltaart bij? Dan haal ik die even uit de vriezer.” De vrouw knapte een kastje op, zodat het zich kon voegen in de romantiek van hout en emaille en retro-servies, die het nieuwbouwhuis wat meer Swiebertje zouden maken. Leuk gesprek. Verderop was het een andere vrouw, een sperwer, die voor mijn neus langs de heesters indook en daar een hels gegil veroorzaakte door de scherpe nagel van haar lange middelste teen in de borstkas van een lijster te drijven. Zo doen ze dat.

Deze tocht testte ik of het schrijfboekje thuis kan blijven. Dan sta je ergens in de berm in je telefoon te leuteren, heel hedendaags. Sommige dingen spreek je niet graag in, alsof de opname zou opduiken in iets Watergate-achtigs. En wat voor smerigs er gebeurde op de Lippenhusterheide onthou ik ook wel zonder het te beschrijven.

Na Beetsterzwaag, het Wassenaar van Friesland, werd het land steriel, op één eilandje na: Camping Op Eigen Weg. “Alles is er”, zei Els, “maar dan wel eenvoudig”. Een hondje, een geit, brocante voordat het zo heette, en een geweldige douche. “Wat je met trespa, tegeltjesvinyl en een beetje handigheid al niet kunt maken”, appte ik naar Lein. Thuis zag ik pas dat ik die dag te ver had gelopen, 42 kilometer. 

Zaterdagochtend nam ik de pont vanuit De Veenhoop. De vrouw met wie ik had staan kletsen en die elke zin afsloot met “jah!”, gaf de veerman een pak deugnietjes. Na de pont het bruggetje over en ik was in Nationaal Park Alde Feanen. In zo’n gewijd gebied gedragen wandelaars zich als kerkgangers. De bankjes zijn er harder en rechter. De tijd is teruggedraaid naar het jaar 1948, of 1885, toen rietsnijder nog het meest voorkomende beroep was. De oude boerderij is weg, op diens fundament staat de uitkijktoren. Niet omhoog gaan, dan zie je de grens van het park aan alle vier de kanten. Je komt hier maar beter als het mistig is. 

De middag ging op aan veel asfalt, hoewel ik heel blij werd van De Leijen. Een klein moerasgebied waar riet wordt gemaaid, met zulke fijne paadjes, hoekjes en dijkjes, afgerond door het dorpje Eastermar. Noordelijk daarvan ligt het Burgummermeer, waarvan de boorden boordevol vogels zitten. Ik hoorde vanuit het moerassige terrein waar ik naast stond het gesnor van de snor (net als de nachtreiger een vogelnaam uit Baantjer) en ’s nachts het gekrijs van de waterral en de tuba van de roerdomp. 

De zondag begon mistig. Een koele ochtend maakt alles goed. Alsof de vroegte de slapende mensen vrijpleit. Toen ik door Kootstertille kwam was het na achten en dan geldt die regel niet meer. Ik hou van de rommelende mens, maar niet van de mens die rommel koopt, daarmee z’n betegelde tuin decoreert en dan ook nog dat gebrek aan verbeelding laat uitzaaien over het hele dorp. Het zou kunnen dat Kootstertille zelfs in de vroege ochtend lelijk is. Dat ga ik niet uitzoeken.  

Ik mikte nog op de Twijzelermieden en de Zwagermieden, maar deze natuurgebiedjes bleken niet meer dan een blokje om tussen land geoptimaliseerd voor het kweken van gras. En als ik dan zelfs in april, als ik lange dagen door het land loop, toch maar een handvol kieviten en grutto’s zie, dan denk ik, dit zou zelfs voor een Fries reden moeten zijn om te huilen. Met die gedachte rondde ik maandag af. Eerst Damwoude en dan over de Goddeloze Singel langs het Goddeloze Tolhuis en via een blauwborst en een bruine kiekendief naar station Feanwâlden. 

Een Fries huilt niet. Een boek met die titel stond vroeger bij ons in de kast. In Schotland lees ik graag Ian Rankin, zo Schots als wat, en in Friesland zou het Friese literatuur worden. Wat bleek? De Friese literatuur is nauwelijks vertaald in het Nederlands, en al helemaal niet als e-book. Treurig.

De start is in Steenwijk, zo door een nieuw wijkje de heuvel op en het bos in.
Huis Eese, mooi terrein, wandelaars welkom maar op een prettige manier toch buiten het privé-terrein gehouden. Zo hoort het.
Steggerda.
Ontbijt in de Lendevallei, half zeven.
De rivier de Lende (Linde in t Nederlands)
Oldeberkoop, kerkje en de auto van de lokale Dude
Poel aan de rand van de Delleboersterheide. Warm! Veel poelkikkers (duh)
Veel lange fietspaden deze tocht. Meestal van beton trouwens.
Rustpunt De Honingbij, Hemrikerverlaat. Gastvrij, slim ingericht en met allerlei lekkers. Betaling ook per PIN, da’s fijn want wie heeft er nog cash?
Fockensstate, Beetsterzwaag.
Camping Op Eigen Weg, bij Ny Beets.
Bevroren handdoekje, onderbroek en tent
Ny Beets. ‘Leg de ventilatiebuizen die je op de kop hebt getikt hier maar neer’
Op de pont van De Veenhoop naar Alde Feanen (foto door restaurantmedewerkster)
De Leijen, met appel.
Burgummermeer, met zicht op Piter Jehannesgat. Fijnste wildkampeerstek op verwaarloosde aanlegplek.
Zo weet de veldwachter de wildkampeerder in de kraag te vatten. Moet ie wel vroeger opstaan.
Consolis/VBI, voor al uw betonnen kanaalplaatvloeren. Langs het Prinses Margrietkanaal.
De brug gaat straks voor mij dicht, en dan meteen weer open. Verder niemand op pad.
Humanistische tuin bij Jachtwerf Brandsma in Reahel. Een soort timmermansproefstuk van deze bouwer van prachtige houten schepen.
Buitenpost – met een plaatsnaam die een koloniale klank heeft – zat in mijn gedachten sinds een klant vertelde hoe hij op het station van Buitenpost kon kiezen of hij in het kantoor in Leeuwarden of in Groningen wilde werken, afhankelijk van de treinenloop. Het echte Buitenpost bleek akelig nuchter te zijn, geen spatje charme. Hierboven het stenige centrumpje.
Zondag = Formule 1 kijken, alleen, maar met een soort app-hotline met Julius. Kost geweldig veel (extra) data.
In de vroege ochtend op weg vanaf camping De Zandhorst. Inderdaad, een bult in het landschap die je van verre ziet. Ook weer heel goede douche, in privé-badkamertje.
Weissenbruch-lucht bij De Falom, onderweg naar het Goddeloze Tolhuis en het station van Veenwouden.

Noord + Leeg + Buiten

Eenmaal op de Friese Seedyk leek de wandeling erg op die dag laatst in oktober, langs de Hondsbosse Zeewering. Heel prikkelarm, maar met regen en harde wind. De chef-kok van De Zwarte Haan stond bij de achterdeur van het gesloten restaurant. Hij vroeg ‘hoe doe je dat dan, waar slaap je dan?’ en glimlachte toen ik zei ‘ik vraag bijvoorbeeld een chef-kok of ik achter z’n restaurant kan staan’. ‘Dat vinden de mensen wel best hier denk ik’ zei hij. ‘Of buitendijks’, opperde ik om hem te peilen. ‘Ja, daar komen ze toch niet controleren’. En over de avondklok kon ik duidelijk zijn: ‘om negen uur lig ik echt te slapen’. Ik tapte water uit de tuinslang achter de keuken en liep de dijk weer op, de harde wind in de rug. Een blauwe kiekendief zeilde onder mij langs over de strook riet aan de voet van de dijk. De wadden waren leeg, met groepjes bergeenden.

Het Noarderleech

Iets verderop wijkt de waddenzee voor kwelders die deels ingedijkt zijn in de 18e eeuw: het Noarderleech. Boeren legden in dit gebied dobbes aan, ringdijkjes met een zoetwaterpoel voor het vee. Achter zo’n verhoging zou ik mijn tent opzetten. Mijn angst voor harde wind greep in, en dus liep ik door tot de Duitse observatiebunker die op de rand van de kwelder staat. Rond zes uur ’s avonds zette ik de tent in de luwte tegen de bunker, maar wel zo dat ik bij draaiende wind nog steeds goed zou staan. De typische verschijnselen van ‘dag 1’ waren er natuurlijk ook: de aansteker werkte slecht, de brander waaide uit, en een grondzeil was toch wel handig geweest op deze bodem van verdunde ganzenpoep. De nasi saté was lekker. Ook die hoort al jaren bij de eerste dag.

De volgende ochtend was geweldig. Duizenden ganzen, wolkenflarden en een doorbrekende zon. De wind blies me naar Ferwert, langs de dijk en over heel kleiige akkerranden. ‘Heb je misschien ook koffie?’ zei ik tegen de vrouw van Bakkerij Van der Kloet, ‘want er is verder niks open natuurlijk’. ‘Nee, da’s vanwege Corona’. Ah. Goh. ‘Maar juist vanwége Corona heeft uw collega in Tzummarum een koffiemachientje neergezet’, probeerde ik nog. Geen sjoege. Ik was echt wel blij met de koek, al was die met thee uit de thermos op een koud bankje voor Jellema Tweewielers. Zou ik later een boer om koffie vragen?

‘Het blijft droog vandaag’ had ze gezegd, de lieverd, en dus regende het binnen een half uur. De wind wakkerde aan. Ik moest links houden op de weg om te voorkomen dat de wind van rechts me er af en toe middenop blies. De leuke paadjes waren afgesloten wegens werkzaamheden, dus het was asfalt tot Dokkum. Scholieren waaiden van hun fiets. De Dokkumer Vlaggencentrale maakt de beste vlaggen van Nederland. Dat snap ik, met die wind hier. 

Dokkum is prachtig, tot je moet plassen, dan is het lockdown. Ik dacht, een bed and breakfast en dan wachten wat de volgende dag brengt. Maar opgesloten worden in je kamer, met eten voor de deur gezet, da’s niks. En dan het weerbericht. Nog drie dagen nat en regen, en de route draait morgen tegen de wind in nota bene.

Ik besloot naar huis te gaan.

Hoe voelt dat nou, een wandeling afbreken? Onvermijdelijk maar treurig, met iets van spijt als je in de trein naar huis de zon ziet doorbreken. Zo’n wandeling is toch grotendeels fantasie, een illusie die zachtjes ‘poef’ zegt als je ermee ophoudt. Zou deze wandeling een hele grote zijn, dan zou ik hem voortgezet hebben, met de gedachte dat er hele mooie dagen in het verschiet lagen. Maar dit loopje was ‘zomaar’, en dat verdraagt geen vijf dagen slecht weer.   

De route
Ik had een vier of vijfdaagse route uitgestippeld, een mix van Kunstpad, Elfstedenpad en Noardlike Fryske Wâlden pad, aan elkaar gelijmd met klazige doorsteekjes. De route begon in mijn vaders geboortedorp Oosterbierum, maar dat was voor de start al van de baan. Tzummarum werd het nieuwe startpunt. Ook daar liggen roots. De route loopt door de klei naar Sint Jacobiparochie, dan langs de zeedijk naar het Noorderleegsbuitenveld, over de klei naar Ferwert, dan Dokkum, Damwoude, Buitenpost, Twijzel, het Burgumermeer, De Leien en Nationaal park Alde Feanen om te eindigen in Drachten.
Ondertussen is het restant van de route omgewerkt tot iets van ‘Steenwijk – Alde Feanen – Eastermar – Buitenpost’, natuurlijk met de wind mee, zoals een goede route betaamt. 

Startpunt: Tzummarum, bakkerij. Deze bakker verkoopt koffie to go.
Het Bild: kamerbrede klei tussen Sint Jacobiparochie en de Waddenzee.
Het wad vanaf de Seedyk
Duitse observatiebunker op het Noorderleegsbuitenveld. Noarderleechsbûtenfjild klinkt beter.
Twee dobben aan de horizon rechts. Schijnbaar mooi weer donderdagochtend.
De terp van Hegebeintum.
Storm Evert blaast de verkiezingsborden van de palen. Of heeft de wind hulp gehad?
Tijdens corona kun je niets anders dan wandelen en dat is zwaar. Hier toch rusten in een tuinhuisje achter een boerderij.
Dokkum in. “Trochpakke” doe ik niet, ik ga naar huis.

The Italian connection

TGO Challenge 2021 preparations part 2 / click here for part one

If an Italian man dresses up to make an impression, he will never let on whether he’s going to a bar or to his mother. I’m sympathetic to this principle. Walking friends have described me as extremely opportunistic, route wise. So, when walking across the Highlands I’d be ready for the high ridges, but when the weather forces me to walk the landrover track down in the glen, I will do so and happily pretend it’s my choice. My TGO route for the coming west to east crossing of the Highlands must accommodate this behaviour. Designing such a route is fun. The only problem is that my imagination runs wild and before I know it I the maps are filled with scribbles and options. I love it, except… 

TGO Challenge 2021 Route design
Marked route on printed sheets and calculations

TGO Challenge Control forces you step up with only one main route, and one Foul Weather Alternative. There’s a route sheet you download and fill in, box by box, in great detail. This makes playing the tourist and following every whim a lot harder. Challenge Control would make an Italian write down which bar he would enter, what lady he would walk up to and what would happen next. Would the Italian ever confess to walking a dull route, on paper? 

TGO Challenge Route Sheet
The freedom to roam the hills is preceded by some bureaucracy

Once described, one sends the route off to Ali & Sue, the gatekeepers at Challenge Control. They are Challenge veterans themselves. They assign you to a vetter, a person that checks your route against rules and safety regulations, Julia in my case. This week, she sent my route back with a list of formal issues. Simply put: I’m not allowed to leave so many options open, and I should write the main route and foul weather alternative sections in the box of the day they are to be walked. This feels like filling in forms for tax return. Thou shalt jump through hoops. On the positive side: the formalities made me cut out bland stuff, and made me commit to my route.

All this goes against my habit to sneak off into a fold in the landscape. My predisposition is to hide, to escape and turn up in unlikely places. But Challenge Control’s responsibility is to find me, so I will have to suppress my urges and be traceable. Let’s find out how much escapism I can fit in there. Supervised escapism, does that count?

Glen Etive lunch stop
Smug opportunist having lunch, Glen Etive, 1999

Update: the minute I published this post, I got a message from Ali & Sue: “Thanks for this which looks good to us.  We will pass it on to Julia for a closer look at the detail”. More on this in a week or two…

Update 26 January: Julia Hume vetted the route, I made two corrections and then it was signed off, ready to be walked!

Monte Toraggio

Na wekenlang volgen van pelgrim John Tijhaar op zijn tocht naar Rome, kwam ik zelf in Italië aan. Op vakantie. Het land voelt altijd fijn, niet als bakermat van de katholieke kerk, maar als maatstaf op cultureel gebied. De stijlvolle man, de stijlvolle auto, de stijlvolle stoel en het geweldige eten. Zo’n land vraagt een stijlvolle wandelaar. Daarover later meer.
Eerst eens kijken of mijn Schotse aanpak (solo bergen van de ongebruikelijke kant benaderen na studie van kaarten en uitzicht) hier zomaar zou werken.

Ons appartement, daaraan is alles geweldig. Wat er voor mij uitspringt is het uitzicht vanaf het bed en vanuit de keuken: Monte Toraggio. Een Alpe Ligure met smoel. Niet eens zo hoog, maar wel met Italiaanse bravoure. Aangezien de gezinsleden de meerwaarde inzien van een papa die zichzelf even uitlaat, is de deal al snel gemaakt.

Mone Toraggio

Pad langs de flank van links naar rechts, midden op de foto

Een secundair doel is het testen van Viewranger App. Voor vertrek heb ik via wifi Open Cycle Map kaarten uitgeknipt en geladen. Ik zet op de telefoon een route uit naar de top van de berg, om eens te kijken hoe dat nou is, lopen met een GPS op open source kaartmateriaal. (In Viewranger is geen Italiaans ‘staatskaartmateriaal’ te krijgen).

Eerst met de auto (tja) 11 km de berg op naar Passo de Gouta. Daar parkeren, de Roclites onder en lopen maar. De befaamde rode rugzak in zijn nadagen bevat 1 perzik, een half pakje tuc en anderhalve liter water voor 18km en 1.000 meter omhoog. Optimist!
Na een uur trek ik mijn hardloopshort aan, en ook het aloude Klaasloopt-hardloophemd. Het is warm. Het pad is breder dan gedacht, omdat er een verdedigingswerkje op de kam ligt. Later wordt het smal, soms met een kabel erlangs, boven steile hellingen. Eenmaal op de zuidflank onder de top is het geduldig heen en weer zigzaggen. Warm, met veel bloemen en buitengewoon veel vlinders.

De stippellijntjes op de OpenCycleMap zijn Mountainbike-routes, en die leiden niet langs de top. Daar wordt de route overgenomen door rode spuitbusvlekken, en heb ik bovendien handen en voeten nodig. De top heeft een duidelijk italiaans tintje: mariabeeld, dweepgedicht, metalen kruis, vlaggestok met italiaanse vlag. De perzik smaakt super, natuurlijk. Het water is niet toereikend. Ik loop langs de koele, franse noordkant terug. Ruig, en geen mens te zien. Blaren.

Route langs rode spuitbusvlekken.

Route langs rode spuitbusvlekken.

Uitzicht richting noordwest: Mercantour (F)

Uitzicht richting noordwest: Mercantour (F)

Top met Italiaanse parafernalia

Top met Italiaanse parafernalia

Uitzicht: Middellandse Zee

Uitzicht: Middellandse Zee

Vuursalamander

Vuursalamander

Een paar voornemens voor een lange pelgrimstocht: ik vind hoog op een kam lopen zo leuk dat ik daar de route soms op zal afstemmen. Water zal een probleem kunnen zijn. Hoe anders dan in Schotland, waar ik echt nooit water meeneem omdat je dat overal zo kunt drinken. De schoenen moeten anders. En: de Rome-ganger heeft een hoed nodig. Daarover later meer.

Viewranger doet het goed. Je ziet altijd in een oogopslag waar je bent, kunt uitzoomen of op een andere kaart overstappen voor het overzicht. OpenCycleMaps heeft waardeloze hoogtelijnen / reliëfinformatie, als je zelf een route ermee uitzet vergis je je daarin zeker. Zo ligt de top van Monte Toraggio op 1971,6 meter, maar op de kaart ligt-ie ergens op de 1800 m contour. Een track tekenen tijdens het lopen doet Viewranger goed, mits je de nauwkeurigheid niet te laag instelt. Er moet een evenwicht zijn tussen nauwkeurigheid en batterijduur…
Rest nog de vraag wat te doen als de telefoon uitvalt. Een 1:100.000 kaart mee is dan zo slecht nog niet.

Grenspaal

Grenspaal

Route (blauw), Track getekend (zwart) en pad (stippels).

OpenCycleMaps in Viewranger. Route (blauw), Track getekend (zwart) en pad (stippels).

Route (blauw) voert naar de top; maar niet heus. Echte top (geel balletje) schijnbaar lager gelegen. Reliëfinformatie slecht.

Route (blauw) voert naar de top; maar niet heus. Echte top (geel balletje) schijnbaar lager gelegen. Reliëfinformatie slecht.