Een Fries huilt niet.

15 – 19 april 2021

Hij had zes, nee acht gouden ringen in elk oor. Al zijn tanden waren met goud bedekt. “Ben je op vakantie hier?” vroeg hij – een variant van de basisvraag ‘wat brengt je hier?’ – op de zonnigst mogelijke toon. “Ik ben aan de wandel” zei ik, en hij antwoordde “ik zit in de ijzerhandel, ik haal een paal op bij nummer 7”. Veel meer liet hij niet los, de vrolijke toon was bedoeld om mijn verhaal los te krijgen, niet het zijne. Dát werd verteld door de vier getatoeëerde tranen op zijn linkerwang.
Ik zat op het bankje midden in Oldeberkoop, met de rug naar de kerk en het gezicht naar de kruidenier en de bakker. Het voelde als lunchtijd, maar het was nog geen tien uur. Dat kwam omdat ik al rond half zes door een rietzanger was gewekt om niets te missen van de zonsopkomst in het rietland langs de Linde. En om daar weg te zijn voordat de graafmachines van de grondjongens er ronkend een nieuwe meander zouden gaan graven. Ik was zo vroeg langsgelopen dat de eerste koffie in de schaftkeet nog niet eens was ingeschonken. Ik had gezwaaid naar de opzichter die net uit zijn Opel stapte.  

Na Oldeberkoop liep ik langs de Tjonger, met aan de overkant een vrouw met een boodschappentas. Ze liep gelijk op, ik zag niet waarheen. Voorbij een flauwe bocht lag een aak, daar ging ze naartoe. Het schip was perfect onderhouden, waardoor de naam op de boeg – Swiebertje – plots mijn band met de bewoners duidelijk maakte. We willen een onbezorgd, soms zwervend bestaan, maar wel met goeie spullen. Lifestyle-Swiebertjes.

Heel wat boerenland verderop, bij Hemrikerverlaat, rustte ik bij een Rustpunt.nu.
“Wil je er appeltaart bij? Dan haal ik die even uit de vriezer.” De vrouw knapte een kastje op, zodat het zich kon voegen in de romantiek van hout en emaille en retro-servies, die het nieuwbouwhuis wat meer Swiebertje zouden maken. Leuk gesprek. Verderop was het een andere vrouw, een sperwer, die voor mijn neus langs de heesters indook en daar een hels gegil veroorzaakte door de scherpe nagel van haar lange middelste teen in de borstkas van een lijster te drijven. Zo doen ze dat.

Deze tocht testte ik of het schrijfboekje thuis kan blijven. Dan sta je ergens in de berm in je telefoon te leuteren, heel hedendaags. Sommige dingen spreek je niet graag in, alsof de opname zou opduiken in iets Watergate-achtigs. En wat voor smerigs er gebeurde op de Lippenhusterheide onthou ik ook wel zonder het te beschrijven.

Na Beetsterzwaag, het Wassenaar van Friesland, werd het land steriel, op één eilandje na: Camping Op Eigen Weg. “Alles is er”, zei Els, “maar dan wel eenvoudig”. Een hondje, een geit, brocante voordat het zo heette, en een geweldige douche. “Wat je met trespa, tegeltjesvinyl en een beetje handigheid al niet kunt maken”, appte ik naar Lein. Thuis zag ik pas dat ik die dag te ver had gelopen, 42 kilometer. 

Zaterdagochtend nam ik de pont vanuit De Veenhoop. De vrouw met wie ik had staan kletsen en die elke zin afsloot met “jah!”, gaf de veerman een pak deugnietjes. Na de pont het bruggetje over en ik was in Nationaal Park Alde Feanen. In zo’n gewijd gebied gedragen wandelaars zich als kerkgangers. De bankjes zijn er harder en rechter. De tijd is teruggedraaid naar het jaar 1948, of 1885, toen rietsnijder nog het meest voorkomende beroep was. De oude boerderij is weg, op diens fundament staat de uitkijktoren. Niet omhoog gaan, dan zie je de grens van het park aan alle vier de kanten. Je komt hier maar beter als het mistig is. 

De middag ging op aan veel asfalt, hoewel ik heel blij werd van De Leijen. Een klein moerasgebied waar riet wordt gemaaid, met zulke fijne paadjes, hoekjes en dijkjes, afgerond door het dorpje Eastermar. Noordelijk daarvan ligt het Burgummermeer, waarvan de boorden boordevol vogels zitten. Ik hoorde vanuit het moerassige terrein waar ik naast stond het gesnor van de snor (net als de nachtreiger een vogelnaam uit Baantjer) en ’s nachts het gekrijs van de waterral en de tuba van de roerdomp. 

De zondag begon mistig. Een koele ochtend maakt alles goed. Alsof de vroegte de slapende mensen vrijpleit. Toen ik door Kootstertille kwam was het na achten en dan geldt die regel niet meer. Ik hou van de rommelende mens, maar niet van de mens die rommel koopt, daarmee z’n betegelde tuin decoreert en dan ook nog dat gebrek aan verbeelding laat uitzaaien over het hele dorp. Het zou kunnen dat Kootstertille zelfs in de vroege ochtend lelijk is. Dat ga ik niet uitzoeken.  

Ik mikte nog op de Twijzelermieden en de Zwagermieden, maar deze natuurgebiedjes bleken niet meer dan een blokje om tussen land geoptimaliseerd voor het kweken van gras. En als ik dan zelfs in april, als ik lange dagen door het land loop, toch maar een handvol kieviten en grutto’s zie, dan denk ik, dit zou zelfs voor een Fries reden moeten zijn om te huilen. Met die gedachte rondde ik maandag af. Eerst Damwoude en dan over de Goddeloze Singel langs het Goddeloze Tolhuis en via een blauwborst en een bruine kiekendief naar station Feanwâlden. 

Een Fries huilt niet. Een boek met die titel stond vroeger bij ons in de kast. In Schotland lees ik graag Ian Rankin, zo Schots als wat, en in Friesland zou het Friese literatuur worden. Wat bleek? De Friese literatuur is nauwelijks vertaald in het Nederlands, en al helemaal niet als e-book. Treurig.

De start is in Steenwijk, zo door een nieuw wijkje de heuvel op en het bos in.
Huis Eese, mooi terrein, wandelaars welkom maar op een prettige manier toch buiten het privé-terrein gehouden. Zo hoort het.
Steggerda.
Ontbijt in de Lendevallei, half zeven.
De rivier de Lende (Linde in t Nederlands)
Oldeberkoop, kerkje en de auto van de lokale Dude
Poel aan de rand van de Delleboersterheide. Warm! Veel poelkikkers (duh)
Veel lange fietspaden deze tocht. Meestal van beton trouwens.
Rustpunt De Honingbij, Hemrikerverlaat. Gastvrij, slim ingericht en met allerlei lekkers. Betaling ook per PIN, da’s fijn want wie heeft er nog cash?
Fockensstate, Beetsterzwaag.
Camping Op Eigen Weg, bij Ny Beets.
Bevroren handdoekje, onderbroek en tent
Ny Beets. ‘Leg de ventilatiebuizen die je op de kop hebt getikt hier maar neer’
Op de pont van De Veenhoop naar Alde Feanen (foto door restaurantmedewerkster)
De Leijen, met appel.
Burgummermeer, met zicht op Piter Jehannesgat. Fijnste wildkampeerstek op verwaarloosde aanlegplek.
Zo weet de veldwachter de wildkampeerder in de kraag te vatten. Moet ie wel vroeger opstaan.
Consolis/VBI, voor al uw betonnen kanaalplaatvloeren. Langs het Prinses Margrietkanaal.
De brug gaat straks voor mij dicht, en dan meteen weer open. Verder niemand op pad.
Humanistische tuin bij Jachtwerf Brandsma in Reahel. Een soort timmermansproefstuk van deze bouwer van prachtige houten schepen.
Buitenpost – met een plaatsnaam die een koloniale klank heeft – zat in mijn gedachten sinds een klant vertelde hoe hij op het station van Buitenpost kon kiezen of hij in het kantoor in Leeuwarden of in Groningen wilde werken, afhankelijk van de treinenloop. Het echte Buitenpost bleek akelig nuchter te zijn, geen spatje charme. Hierboven het stenige centrumpje.
Zondag = Formule 1 kijken, alleen, maar met een soort app-hotline met Julius. Kost geweldig veel (extra) data.
In de vroege ochtend op weg vanaf camping De Zandhorst. Inderdaad, een bult in het landschap die je van verre ziet. Ook weer heel goede douche, in privé-badkamertje.
Weissenbruch-lucht bij De Falom, onderweg naar het Goddeloze Tolhuis en het station van Veenwouden.

Noord + Leeg + Buiten

Eenmaal op de Friese Seedyk leek de wandeling erg op die dag laatst in oktober, langs de Hondsbosse Zeewering. Heel prikkelarm, maar met regen en harde wind. De chef-kok van De Zwarte Haan stond bij de achterdeur van het gesloten restaurant. Hij vroeg ‘hoe doe je dat dan, waar slaap je dan?’ en glimlachte toen ik zei ‘ik vraag bijvoorbeeld een chef-kok of ik achter z’n restaurant kan staan’. ‘Dat vinden de mensen wel best hier denk ik’ zei hij. ‘Of buitendijks’, opperde ik om hem te peilen. ‘Ja, daar komen ze toch niet controleren’. En over de avondklok kon ik duidelijk zijn: ‘om negen uur lig ik echt te slapen’. Ik tapte water uit de tuinslang achter de keuken en liep de dijk weer op, de harde wind in de rug. Een blauwe kiekendief zeilde onder mij langs over de strook riet aan de voet van de dijk. De wadden waren leeg, met groepjes bergeenden.

Het Noarderleech

Iets verderop wijkt de waddenzee voor kwelders die deels ingedijkt zijn in de 18e eeuw: het Noarderleech. Boeren legden in dit gebied dobbes aan, ringdijkjes met een zoetwaterpoel voor het vee. Achter zo’n verhoging zou ik mijn tent opzetten. Mijn angst voor harde wind greep in, en dus liep ik door tot de Duitse observatiebunker die op de rand van de kwelder staat. Rond zes uur ’s avonds zette ik de tent in de luwte tegen de bunker, maar wel zo dat ik bij draaiende wind nog steeds goed zou staan. De typische verschijnselen van ‘dag 1’ waren er natuurlijk ook: de aansteker werkte slecht, de brander waaide uit, en een grondzeil was toch wel handig geweest op deze bodem van verdunde ganzenpoep. De nasi saté was lekker. Ook die hoort al jaren bij de eerste dag.

De volgende ochtend was geweldig. Duizenden ganzen, wolkenflarden en een doorbrekende zon. De wind blies me naar Ferwert, langs de dijk en over heel kleiige akkerranden. ‘Heb je misschien ook koffie?’ zei ik tegen de vrouw van Bakkerij Van der Kloet, ‘want er is verder niks open natuurlijk’. ‘Nee, da’s vanwege Corona’. Ah. Goh. ‘Maar juist vanwége Corona heeft uw collega in Tzummarum een koffiemachientje neergezet’, probeerde ik nog. Geen sjoege. Ik was echt wel blij met de koek, al was die met thee uit de thermos op een koud bankje voor Jellema Tweewielers. Zou ik later een boer om koffie vragen?

‘Het blijft droog vandaag’ had ze gezegd, de lieverd, en dus regende het binnen een half uur. De wind wakkerde aan. Ik moest links houden op de weg om te voorkomen dat de wind van rechts me er af en toe middenop blies. De leuke paadjes waren afgesloten wegens werkzaamheden, dus het was asfalt tot Dokkum. Scholieren waaiden van hun fiets. De Dokkumer Vlaggencentrale maakt de beste vlaggen van Nederland. Dat snap ik, met die wind hier. 

Dokkum is prachtig, tot je moet plassen, dan is het lockdown. Ik dacht, een bed and breakfast en dan wachten wat de volgende dag brengt. Maar opgesloten worden in je kamer, met eten voor de deur gezet, da’s niks. En dan het weerbericht. Nog drie dagen nat en regen, en de route draait morgen tegen de wind in nota bene.

Ik besloot naar huis te gaan.

Hoe voelt dat nou, een wandeling afbreken? Onvermijdelijk maar treurig, met iets van spijt als je in de trein naar huis de zon ziet doorbreken. Zo’n wandeling is toch grotendeels fantasie, een illusie die zachtjes ‘poef’ zegt als je ermee ophoudt. Zou deze wandeling een hele grote zijn, dan zou ik hem voortgezet hebben, met de gedachte dat er hele mooie dagen in het verschiet lagen. Maar dit loopje was ‘zomaar’, en dat verdraagt geen vijf dagen slecht weer.   

De route
Ik had een vier of vijfdaagse route uitgestippeld, een mix van Kunstpad, Elfstedenpad en Noardlike Fryske Wâlden pad, aan elkaar gelijmd met klazige doorsteekjes. De route begon in mijn vaders geboortedorp Oosterbierum, maar dat was voor de start al van de baan. Tzummarum werd het nieuwe startpunt. Ook daar liggen roots. De route loopt door de klei naar Sint Jacobiparochie, dan langs de zeedijk naar het Noorderleegsbuitenveld, over de klei naar Ferwert, dan Dokkum, Damwoude, Buitenpost, Twijzel, het Burgumermeer, De Leien en Nationaal park Alde Feanen om te eindigen in Drachten.
Ondertussen is het restant van de route omgewerkt tot iets van ‘Steenwijk – Alde Feanen – Eastermar – Buitenpost’, natuurlijk met de wind mee, zoals een goede route betaamt. 

Startpunt: Tzummarum, bakkerij. Deze bakker verkoopt koffie to go.
Het Bild: kamerbrede klei tussen Sint Jacobiparochie en de Waddenzee.
Het wad vanaf de Seedyk
Duitse observatiebunker op het Noorderleegsbuitenveld. Noarderleechsbûtenfjild klinkt beter.
Twee dobben aan de horizon rechts. Schijnbaar mooi weer donderdagochtend.
De terp van Hegebeintum.
Storm Evert blaast de verkiezingsborden van de palen. Of heeft de wind hulp gehad?
Tijdens corona kun je niets anders dan wandelen en dat is zwaar. Hier toch rusten in een tuinhuisje achter een boerderij.
Dokkum in. “Trochpakke” doe ik niet, ik ga naar huis.

The Italian connection

TGO Challenge 2021 preparations part 2 / click here for part one

If an Italian man dresses up to make an impression, he will never let on whether he’s going to a bar or to his mother. I’m sympathetic to this principle. Walking friends have described me as extremely opportunistic, route wise. So, when walking across the Highlands I’d be ready for the high ridges, but when the weather forces me to walk the landrover track down in the glen, I will do so and happily pretend it’s my choice. My TGO route for the coming west to east crossing of the Highlands must accommodate this behaviour. Designing such a route is fun. The only problem is that my imagination runs wild and before I know it I the maps are filled with scribbles and options. I love it, except… 

TGO Challenge 2021 Route design
Marked route on printed sheets and calculations

TGO Challenge Control forces you step up with only one main route, and one Foul Weather Alternative. There’s a route sheet you download and fill in, box by box, in great detail. This makes playing the tourist and following every whim a lot harder. Challenge Control would make an Italian write down which bar he would enter, what lady he would walk up to and what would happen next. Would the Italian ever confess to walking a dull route, on paper? 

TGO Challenge Route Sheet
The freedom to roam the hills is preceded by some bureaucracy

Once described, one sends the route off to Ali & Sue, the gatekeepers at Challenge Control. They are Challenge veterans themselves. They assign you to a vetter, a person that checks your route against rules and safety regulations, Julia in my case. This week, she sent my route back with a list of formal issues. Simply put: I’m not allowed to leave so many options open, and I should write the main route and foul weather alternative sections in the box of the day they are to be walked. This feels like filling in forms for tax return. Thou shalt jump through hoops. On the positive side: the formalities made me cut out bland stuff, and made me commit to my route.

All this goes against my habit to sneak off into a fold in the landscape. My predisposition is to hide, to escape and turn up in unlikely places. But Challenge Control’s responsibility is to find me, so I will have to suppress my urges and be traceable. Let’s find out how much escapism I can fit in there. Supervised escapism, does that count?

Glen Etive lunch stop
Smug opportunist having lunch, Glen Etive, 1999

Update: the minute I published this post, I got a message from Ali & Sue: “Thanks for this which looks good to us.  We will pass it on to Julia for a closer look at the detail”. More on this in a week or two…

Update 26 January: Julia Hume vetted the route, I made two corrections and then it was signed off, ready to be walked!

Monte Toraggio

Na wekenlang volgen van pelgrim John Tijhaar op zijn tocht naar Rome, kwam ik zelf in Italië aan. Op vakantie. Het land voelt altijd fijn, niet als bakermat van de katholieke kerk, maar als maatstaf op cultureel gebied. De stijlvolle man, de stijlvolle auto, de stijlvolle stoel en het geweldige eten. Zo’n land vraagt een stijlvolle wandelaar. Daarover later meer.
Eerst eens kijken of mijn Schotse aanpak (solo bergen van de ongebruikelijke kant benaderen na studie van kaarten en uitzicht) hier zomaar zou werken.

Ons appartement, daaraan is alles geweldig. Wat er voor mij uitspringt is het uitzicht vanaf het bed en vanuit de keuken: Monte Toraggio. Een Alpe Ligure met smoel. Niet eens zo hoog, maar wel met Italiaanse bravoure. Aangezien de gezinsleden de meerwaarde inzien van een papa die zichzelf even uitlaat, is de deal al snel gemaakt.

Mone Toraggio

Pad langs de flank van links naar rechts, midden op de foto

Een secundair doel is het testen van Viewranger App. Voor vertrek heb ik via wifi Open Cycle Map kaarten uitgeknipt en geladen. Ik zet op de telefoon een route uit naar de top van de berg, om eens te kijken hoe dat nou is, lopen met een GPS op open source kaartmateriaal. (In Viewranger is geen Italiaans ‘staatskaartmateriaal’ te krijgen).

Eerst met de auto (tja) 11 km de berg op naar Passo de Gouta. Daar parkeren, de Roclites onder en lopen maar. De befaamde rode rugzak in zijn nadagen bevat 1 perzik, een half pakje tuc en anderhalve liter water voor 18km en 1.000 meter omhoog. Optimist!
Na een uur trek ik mijn hardloopshort aan, en ook het aloude Klaasloopt-hardloophemd. Het is warm. Het pad is breder dan gedacht, omdat er een verdedigingswerkje op de kam ligt. Later wordt het smal, soms met een kabel erlangs, boven steile hellingen. Eenmaal op de zuidflank onder de top is het geduldig heen en weer zigzaggen. Warm, met veel bloemen en buitengewoon veel vlinders.

De stippellijntjes op de OpenCycleMap zijn Mountainbike-routes, en die leiden niet langs de top. Daar wordt de route overgenomen door rode spuitbusvlekken, en heb ik bovendien handen en voeten nodig. De top heeft een duidelijk italiaans tintje: mariabeeld, dweepgedicht, metalen kruis, vlaggestok met italiaanse vlag. De perzik smaakt super, natuurlijk. Het water is niet toereikend. Ik loop langs de koele, franse noordkant terug. Ruig, en geen mens te zien. Blaren.

Route langs rode spuitbusvlekken.

Route langs rode spuitbusvlekken.

Uitzicht richting noordwest: Mercantour (F)

Uitzicht richting noordwest: Mercantour (F)

Top met Italiaanse parafernalia

Top met Italiaanse parafernalia

Uitzicht: Middellandse Zee

Uitzicht: Middellandse Zee

Vuursalamander

Vuursalamander

Een paar voornemens voor een lange pelgrimstocht: ik vind hoog op een kam lopen zo leuk dat ik daar de route soms op zal afstemmen. Water zal een probleem kunnen zijn. Hoe anders dan in Schotland, waar ik echt nooit water meeneem omdat je dat overal zo kunt drinken. De schoenen moeten anders. En: de Rome-ganger heeft een hoed nodig. Daarover later meer.

Viewranger doet het goed. Je ziet altijd in een oogopslag waar je bent, kunt uitzoomen of op een andere kaart overstappen voor het overzicht. OpenCycleMaps heeft waardeloze hoogtelijnen / reliëfinformatie, als je zelf een route ermee uitzet vergis je je daarin zeker. Zo ligt de top van Monte Toraggio op 1971,6 meter, maar op de kaart ligt-ie ergens op de 1800 m contour. Een track tekenen tijdens het lopen doet Viewranger goed, mits je de nauwkeurigheid niet te laag instelt. Er moet een evenwicht zijn tussen nauwkeurigheid en batterijduur…
Rest nog de vraag wat te doen als de telefoon uitvalt. Een 1:100.000 kaart mee is dan zo slecht nog niet.

Grenspaal

Grenspaal

Route (blauw), Track getekend (zwart) en pad (stippels).

OpenCycleMaps in Viewranger. Route (blauw), Track getekend (zwart) en pad (stippels).

Route (blauw) voert naar de top; maar niet heus. Echte top (geel balletje) schijnbaar lager gelegen. Reliëfinformatie slecht.

Route (blauw) voert naar de top; maar niet heus. Echte top (geel balletje) schijnbaar lager gelegen. Reliëfinformatie slecht.

Funky Trousers

Golfkleding, daar wordt lacherig over gedaan. Bespottelijke ruitbroeken, tweekleurige schoenen, handschoentjes en roze poloshirts. Kan uitermate gay uitvallen, in meerdere betekenissen van het woord. Word ik wel blij van.

Buitensportkleding, daar word ik niet blij van. Neemt zichzelf overmatig serieus, er kan geen lachje af. De membranen, de wicking layers en de frictionless seams vliegen je om de oren, de ene feature nog imponerender benoemd dan de ander.
Het treurigste buitensport-kledingstuk is de afritsbroek. Niet verkrijgbaar in andere kleuren dan linzengroen, kikkererwten-kaki en grafsteen-grijs. Kan uitermate gay uitvallen, maar dan bij vrouwen.
Maar ja, als je echt lichtgewicht kleding nodig hebt, kom je toch uit bij zo’n fantasieloos stuk zwart of grijs. En als je geen korte broek wilt meenemen maar je gaat toch lopen in een warmere streek, dan is afritsen de uitkomst. Ergerlijk, zoals het allemaal weer klopt!

Stel, ik ga 2300km lopen. Dan wil ik er ook wel eens netjes uitzien, maar niks extra’s meenemen, want alles weegt. Zo kwam ik ineens op een idee, waar zo te zien nog niet veel mensen op zijn gekomen. Ik koop een golfbroek om in te wandelen.
Want: lightweight, wicking, four way stretch en nog zo wat features, maar daarnaast netjes, en op een verfijnde manier lichtvoetig. En: gemaakt om in te lopen, te zweten en rare beweging te maken. In schitterende kleurstellingen als t een beetje wil. De sombermansen onder hun grote rugzakken zullen verrast opkijken als ik langs kom dartelen.

Laten we eens kijken. 2013 Dwyers &Co Designer Funky Check Stretch Tech Golf Trousers. Wow. 2013 Under Armour ArmourStorm 2.0 Waterproof Golf Trousers.
Wow. 2013 Calvin Klein Fleece Lined Thermal Golf Trousers Weather Tech. Wow. De naamgeving is minstens zo uit de bocht als in de buitensport-hoek.
Ook met de kleur kun je uit de bocht: Royal & Awesome Funky Golf Trousers. Auw.
“Stylish and funky golf trousers from Royal & Awesome. Perfect for your annual golf tour, the corporate jolly, your club championship final or spending that “quality time” with your father in law!”

mens-golf-trousers1

De golfbroekenmakers hebben de schoonvader wel, maar de wandeltoepassing nog niet ontdekt. De broeken horen dan ook bij het kunstmatige landschap waar de golfer in rondloopt. Ik ga ervoor, ik vind de scheiding tussen wandelende golfers en echte wandelaars kunstmatig, en je weet t nooit met je schoonvader, misschien wandelt-ie wel mee…
Slechts één vraag blijft open staan: wat wegen ze?

11/2/2015: deze vrag is beantwoord. Mijn schitterende Graham of Mentieth Tartan Golf Trousers van Slanj Kiltmakers uit Schotland (hieronder te zien), waarin ik naar Rome wil, wegen 492 gram. Niet licht, maar niet verkeerd ook.

slanj