Over mijn reis

Ik hou van landschap, de manier waarop we het ons eigen maken, hoe we ons erin bewegen. Een groot deel van onze cultuur gaat over ruimte, dat boeit me. Te voet gaan is de beste manier om de ruimte, de wereld, te ervaren. Je ziet veel, hebt tijd, en je hebt geen vervoermiddel nodig. Fijn!

Ik vertrok op 23 februari 2015 (mijn 46ste verjaardag) richting Rome, en kwam daar op 27 mei aan, na 2.677 km lopen. Dat zijn de getallen. De reis valt voor het overige niet in getallen uit te drukken. Lees graag de blogposts, vooral die van de maand mei.

Mijn route heb ik zelf gebreid, met veel kunst, genoeg steden en wat industrieel erfgoed. Hij voerde langs de Stelling van Amsterdam, het Kromme Rijngebied, de Grebbeberg, het Ruhrgebiet, de Rijn af langs de Rheinsteig en Limes, door het Odenwald en dan langs Tauber en Lech Oostenrijk in. Door het dal van de Adige tot Merano, en dan naar het Gardameer. De Po-vlakte over naar Bologna en van daaraf over de GEA naar La Verna, en langs de route van Kees Roodenburg naar Assisi en naar Rome. Deze route is niet moeilijk, wandeltechnisch dan. De Rheinsteig, de Appennijnen en Umbrië hebben best veel hoogteverschil. Rond 10 april is de route door Oostenrijk sneeuwvrij, vrijwel. Naar mijn bescheiden mening kun je in Italië in juni, juli en augustus niet wandelen, vandaar mijn vroege vertrek.

Ik heb 64 nachten gekampeerd, waarvan slechts 6 op een camping (dat vind ik niks). Ondanks kampeerspul weegt mijn rugzak theoretisch (zonder water, brandstof en eten, bij vertrek uit Nederland) minder dan 6 kg, maar in de praktijk meestal 8 kg. ‘Bergschoenen’ heb ik niet, netzomin als stokken, een hoed of Gore-tex. Ook geen drinksysteem of draagsysteem. Het kan veel simpeler. De pelgrimage als sjouwpartij in de hitte is een conventie, daar heb ik me niet aan gehouden.

Aanstaande pelgrims die meer willen weten kunnen bij me terecht voor informatie, natuurlijk! Mail naar klaas (apestaartje) explanationdesign (punt) nl.

De dieptewandeling

Waarom ga je meer dan drie maanden op stap? Vooral mensen die niet op hun gemak zijn met mijn plan om naar Rome te lopen, stellen die vraag. Elke pelgrim geeft zijn of haar eigen antwoord. Wat is het mijne?

DVWwaarom2

De pelgrims die het hebben over ‘schoon schip maken’, of ‘mezelf tegenkomen’, verschillen niet van gewone reizigers of expeditiegangers. De pelgrims die zeggen ‘een geliefde is overleden’ of ‘ik heb een ziekte overwonnen’, klinken als pelgrims, maar ook een ander soort reis kan zo’n ritueel zijn. Solo-zeezeilers noemen zich geen pelgrim, maar hopen wel op een glimp van het hogere.

De enige reden die een pelgrimstocht een pelgrimstocht maakt is de bestemming: een pelgrimsoord. Dat betekent niet veel voor mij. Ik voel me dan ook geen pelgrim. Dat hebben er meer. Het lijkt alsof het de pelgrimage zelf is die van een wandelaar een pelgrim maakt. En daar ben ik wel weer benieuwd naar.

Hoe dan ook, wandelen, dat is geweldig. Je een route voorstellen, de juiste weg zien; het zijn menselijke ervaringen met een rituele component, waar ik van hou. Een meerdaagse wandeling voegt daar een mooie tegengestelde factor aan toe. Dat zoeken en verkennen moet namelijk eindigen. En wel met het vinden van een tijdelijk thuis. Een plaats waar je je een voorstelling van geborgenheid van hebt gemaakt. Zo’n plek, die vergeet je nooit meer. Als je dit ritueel vermenigvuldigt met 100, wat gebeurt er dan? Daar kom ik mijn bed wel voor uit!

Een veelvoorkomende motivatie bij reizigers is de kans op mooie ontmoetingen. Als je echt reist (dus niet georganiseerd, en liefst alleen) dan weet je dat er op de gekste momenten dingen gebeuren die een ander mens op je pad brengen. In een tijd dat iedereen in een treincoupe in zijn smartphone zit, is dat een benijdenswaardige eigenschap van het reizen te voet. Je bent afhankelijk, je kunt vaak niet even verderop proberen. Met name als het niet zo geweldig gaat, ontdek je: zonder hulp van anderen gaat het niet. Ik ben geen held in sociaal contact, dus dat wordt me wat.

Het laatste, fijnste antwoord op de waarom-vraag kan ik pas achteraf geven. Ik weet dat elke pelgrim angsten heeft over wat er niet zal lukken. Maar zo’n tocht is een mini-leven op zichzelf: voorziene moeilijkheden duiken niet op, of worden gemakkelijk overwonnen. En dan verschijnt er onderweg een nieuwe, onvoorziene factor die een levensles uitdeelt. Welke dat is, dat weet ik niet. En dat is spannend. Pogingen om de onvoorziene factor vooraf te voorspellen, zijn onsportief. De straf die er op staat is niet mis: een voorspelbare reis.

Ja, ik ga te voet naar Rome omdat ik de eenvoud, de onverwachte ontmoeting en het landschap wil ervaren. Maar ik ga vooral omdat dat mengsel, traag en langdurig opgediend, uiteindelijk iets zal onthullen dat ik niet heb kunnen bedenken.

De buitenwijkenboycot

Waarom pelgrims woonwijk en industriegebied overslaan
(Dit bericht is een herplaatsing van mijn stukje voor www.devrijewandelaar.nl)

Kromhoutstraat, IJmuiden

Kromhoutstraat, IJmuiden

Ik testte een paar wandelschoenen door er 25km op te lopen in de buurt. De tocht voerde me langs het Wilde Westen van IJmuiden. Op zoek naar een oude torpedobunker liep ik door het industriegebiedje aan de Kromhoutstraat. Ik heb er genoten. Ik wist niet wat ik ervan moest vinden, werd raar aangekeken vanuit auto’s en … kwam ogen tekort.

Elke pelgrim heeft zijn antwoord klaar op de vraag ‘bent u een toerist of een pelgrim?’. Het antwoord ‘toerist’ komt niet voor. Hooguit ‘wel eens toerist, maar dan van spirituele plekken’. De gewone wandelaar vindt zichzelf evenmin toerist. Toch. In elk pelgrimsreisverslag kun je turven: ja, ze volgen het advies van een reisgids; ja, ze slaan vermeend saaie stukken over. En ja, ze doen daar netjes wat alle toeristen doen: het mooi vinden, er foto’s van maken, controleren of die kloppen met de verwachtingen en tot slot zeggen ‘nu ben ik echt lekker op reis’.

In geen enkel pelgrimsboekje ontbreekt de veroordeling van industriegebied en buitenwijk. Dat is niet vreemd. Kerken en forten werden altijd al mooi gevonden, ze zijn gecanoniseerd. Natuur werd vanaf eind 18e eeuw mooi gevonden, dat komt op het conto van de romantische dichters en schilders. Eind 19e eeuw schilderden de impressionisten voor het eerst dorpsgezichten, en stadsparken. Het stadspark is gecultiveerde natuur, en het dorp, wel, daar zijn de mensen goed. Die plekken mogen daarom ‘meedoen’.
Maar de stad, die verdorven plek vol hoeren, homo’s en sjacheraars? Die is vies en vuig en immoreel. Stalin en Hitler hielden van sterke, half ontblote boeren, gezonde blozende boerinnen, die ten tijde van oorlog eventueel tanks in elkaar sleutelen, maar de stád, dat nooit.

Een coalbreaker, gefotografeerd door het echtpaar Becher

Een coalbreaker, gefotografeerd door het echtpaar Becher

Na de Tweede Wereldoorlog gaat het snel: amerikaanse fotografen en schilders beelden auto’s af, cafe’s, suburbs, wolkenkrabbers. De kunstfotografie voltooit de acceptatie van stad en industrie als iets dat mooi kan zijn. Baanbrekend, en foei als u ze niet kent, zijn Bernd en Hilla Becher. Zij fotografeerden met machinale precisie duizenden mijnschachten, hoogovens en draglines. Zij zijn de leermeesters van een hele sleep fotografen zoals Thomas Struth of Andreas Gursky.

Heel vilein kan de conclusie zijn: wandelaars zijn conservatief. Cultureel van voor de twintigste eeuw, de dagen dat het wandelen, en hoe je het hoort te doen, zijn uitgevonden. Daarom is de industrie en de buitenwijk, het snelwegknooppunt en de haven, amper doorgedrongen tot ‘wat zij mooi kunnen vinden’. Dat zie je terug in de pelgrimsreizen: men waardeert het historische stadshart. Wat je ervan moet vinden is bekend. Men waardeert de natuur, waarover vele natuurmonumentenkalenders nimmer iets onzeglijks hebben vertoond of verteld. En het platteland, dat Boer zoekt Vrouw zo aantrekkelijk maakt.

Wee die lastige zone tussen autoluw stadshart en helende natuur. Met al zijn prikkels en ongewenste levensvormen. Er zijn daar veel mensen die bepaald niet tot dezelfde soort behoren als de vrij hoog opgeleide, blanke wandelaar. De bebouwing heeft vaak de verkeerde schaal en is niet ‘mooi’. En er is daar geen waardering voor ‘te voet gaan’. Niet toevallig som ik hier precies de dingen op die de buitenwijk zo aantrekkelijk maken. Er is niets voorgekauwd. Je moet er zelf de weg vinden, voedsel zoeken (een bakker), een schuilplaats (B&B), en mensen uit jouw stam herkennen. Je moet ook de wilde dieren ontwijken (figuren in steegjes, hooligans). Kortom: je doet er van alles dat je in de oertijd in de natuur deed. Dat is intensief, maar leuk.

Die natuur is tegenwoordig prikkelarm en extreem veilig. Dat is zeker ergens goed voor, maar de pelgrim zou er goed aan doen om niet een bus, trein of metro te pakken, om de ondraaglijke tijd tussen de behapbare sights te verkorten. Het levert meer op om alles te lopen, zodat hij of zij kan oefenen met het esthetisch waarderen, voor zichzelf boeiend maken, van woonwijken en bedrijventerreinen. Zoals door bij een rijtjeshuis aan te bellen voor water, bij een autohandel te vragen of je er even naar de wc mag. Boodschappen doen in een schimmige avondwinkel, of eten in een truckerscafé. Het helpt, en is zeker avontuurlijk.

Zeche Zollverein, werelderfgoed. Foto: Abgeda, via Flickr

Zeche Zollverein, werelderfgoed. Foto: Abgeda, via Flickr

Ik verlang er al jaren naar om het Ruhrgebied te doorkruisen. Onderweg richting Rome zal ik de natuur van de Eiffel links laten liggen om tussen autobahnkreuze en bergen sintels op zoek te gaan naar die mijnschachtbokken van het echtpaar Becher. En de beste worstverkoper van Oberhausen staat daar ergens naast een rangeerterrein.

Verdikkeme. Heb ik tóch een toeristisch lijstje.
Maar het cordon sanitaire rond de buitenwijk heb ik in elk geval verbroken.