Francesco is beroemd

Italianen, ik kan er wel wat mee. Goedlachs, mijn grijns steekt ze makkelijk aan. In Calvi dell’Umbria had ik een klik met de plaatselijke wandelclub-hoofdman, een geprek met pen en papier erbij. Over het plaatsen van je tent als ‘het maken van een (heilige) plaats’ in micro-formaat. Als je een plekje kiest, wat geeft de doorslag? Knusheid, een veilig gevoel? Uitzicht, overzicht? Een boom, een bloem? Dat is voor iedereen anders. Maar de plek krijgt voor mij betekenis. Ik raak er op gesteld. De echte heilige plaatsen worden door heel veel mensen herkend. Ze voelen goed. 

De laatste dagen liep ik langs kleine heiligdommen op plekken waar Franciscus is geweest. Maar het ging soms zoals veel plaatsen waar een beroemdheid langskwam. Het worden wél bedevaartsoorden, maar van het aankruis-type. Ze vallen samen met die ene passage van de beroemdheid. Waarom niet de eigen kracht van de plek vertaald voor het publiek? In plaats daarvan maakte men het nog erger door te zeggen ‘de paus is hier ook geweest’. Ja, omdat Franciscus hier ooit was. Of is dat voldoende? Ik vind van niet. 

dit is zoals ik me Kees Roodenburg voorstel, de maker van de route die ik de laatste 18 dagen volg. Hij heeft een Ennio Morricone-ringtone en houdt van eenzame weggetjesmet trillende lucht erboven. Drinkt Jose Cuervo Gold, als er weer een etappe nagelopen is. Deze argwanende blik bewaart-ie voor Duitse concurrenten.

  

Vogel van de week: de bijeneter. Exotisch gekleurd, maar ook met een heel speciale zeilende vlucht, als een heel grote vlinder.

 

In de supercompacte dorpjes is geen plek voor een plein, een piazza. Maar toch wel voor een piazetta? Prachtig, die kleine uitgespaarde ruimtes.

  

Consumenten-religie: laat uw BMW met wijwater besprenkelen, dan rijdt u geen pelgrim aan. Prima idee.

  

Echte regen! Dertig dagen droog gehad.

  

Zaterdag 23 mei regende het nogal. Hier langs bar Pergola om te drogen. Lelijke plek, ook wel eens goed.

  

Bij de groentetuin van Mirella en Piero. Ze hadden het niet breed, dus waren ze heel gastvrij en gul met eten.

  

Partnergemeente Bethlehem (in Palestina!)? O ja, op het volgende bord staat waarom: Greccio heeft de eerste kerststal ter wereld.

  

Stroncone. De dorpen hier zijn vaak Borgo’s, ommuurd, waarbij de muur ook bewoond is en alles verbonden is met steegjes en trappetjes.

  

Goede info. Heiligdommen professionaliseren.

  

Plek op de laatste berg. De everzwijnen knorden er weer lustig op los.

  

Wandelclub in Calvi krijgt mijn verhaal doorgebriefd van de chef.

  

De Paus was hier ook! Ja, en?

  

Maandag 25 mei: wolken vullen het Tiberdal zoals ze oo 18 maart het Rijndal vulden. Let op de zwarte hond. Begon tegen mij, maar blaft nu tegen alle andere honden. Geen slimme dieren.

  

Vanaf Fara in Sabina kun je de koepel van de Sint Pieter makkelijk zien. Fara ligt op een mooie heuvel, prachtig gesitueerd.

  

Montelibretti, maandag 25 mei. Na de eerste helft van Roma-Lazio vertrek ik. Donker weer, spetters, en afgeladen bars.

   

Maandag kwam de andere religie van de Italianen even boven: voetbal. Sint Franciscus, dat is natuurlijk de nummer 10 van AS Roma, ‘San’ Francesco Totti. Hier nota bene met mijn filmtip voor Rome op de borst ‘La Grande Belezza’. Dat is Rome en het leven hier.

 

Laatste kampeerplek, met toetje.

  

Journalistieke foto: waterbak zoals je die overal ziet. Boertjes vullen hier ook hun giftanks, je ziet de verpakkingen van de fungiciden liggen, zo gaat dat.

  

De laatste keer koken. Waarom staat de brander zo raar op de weg? Nou, ik zat er eerst naast natuurlijk, maar toen de zon weer achter de wolk vsndaan kwam bleek dat die plek helemaal niet in de schaduw was. Verhuisd en de brander blijft dan staan.

  

De vrije vogels

Ik liep door Bevagna, een kleine plaats, gezellig, maar waarom liep mijn route hierlangs? Na even zoeken vond ik het: Franciscus preekte tot de vogels hier. Ik wist al: elk bijzonder persoon wordt door de RK kerk ingelijfd via een heiligverklaring. Een wat parasitair trekje met het positieve effect dat we ons die persoon en zijn/haar invloed blijven herinneren. Via Franciscus overschrijdt de kerk de grens tussen de soorten. De vogels, zo wil het verhaal, luisterden ademloos naar de preek en zongen Gods lof. Ik vind het brutaal, een andere diersoort inzetten ter meerdere eer en glorie van jouw God. Franciscus wordt er een aaibare heilige van, waar veel Duitse pelgrims mee komen dwepen. De natuur als het enige Goede, met viespeuk Mens daar tegenover. Brrr. En wat een serieusheid walmt er van die pelgrims af! Neem een aperitief en ga billen kijken männer, dat zal opluchten. Lach eens! De vrouwelijke pelgrims zijn zoals ik al eerder schreef, een stuk ontspannener en beter gehumeurd. 
De afgelopen dagen ging het over Monte Subasio, in de hitte door de vlakte naar Spoleto, over Monte Fionchi naar Ferentillo en vanaf daar weer over een berg naar Poggio Bustone. Ik schrijf dit in Rieti. De route is lekker pittig, soms puzzelen en vaak erg mooi en slim gekozen. Als altijd word ik blij van vogels, hieronder een paar te zien. Vogel-van-de-week is de roodpootvalk, met een groot verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. In Nederland zie je veel meer, vooral roofvogels. De reden is heel simpel: er zijn hier 800.000 jagers die volgens de laagste schatting 100.000.000 vogels schieten. Erg onfranciscaans. 

De hop. Daar word ik vrolijk van, het lijkt een schelm, laat zich graag zien, met zn uitbundige veren.

  

De wielewaal. Je hoort hem doorlopend, een welluidende riedel, maar je ziet hem zelden, ook niet als je lang blijft speuren. Knalgeel, maar dat schuilhouden en dat zwarte masker maken hem streng.

  

Op Monte Subasio wemelde het ervan. Ik wist niet dat dat kon, valken in groepen. En ook nog verschillende kleuren! Dank aan Ed van Zoonen, de fotograaf.

  

Het vrouwtje is licht van onder, en bruin, het mannetje donker en mooi leigrijs van boven. ik was in de war! Op 21 mei zag ik ze weer.

  

De top van Monte Subasio. Vrije Paarden! De stip in de lucht is een van de vele roodpootvalken, waar mijn telefoon alleen pixels van maakt.

  

Monte Subiaso: raadselachtige kuil.

  

Spello, 18 mei. Super gegeten met super wijn.

  

Spello en Monte Subiaso

  

Bij Bevagna. Men bouwt graag losstaande ‘daken’, waar dan van alles onder staat.

  

Bevagna, 18 mei

  

Lollig. Twee mannen lachten me een beetje uit toen ik een kampeerplek vroeg. ‘Je kunt hier overal wel staan, maakt niet uit, het is van niemand en niemand zegt er wat van’

  

Montefalco is een merk. Wijn en olie.

  

Soms wil het in beeld brengen van het contact tussen mens en goddelijkheid ontaarden in bizarre special effects. Kitsch ook.

  

Santa Maria Delle Stelle

  

Broodje in hete vlakte, tomaten zelf toevoegen. De lolligste gebeurtenis: ik lig dwars over een karrenspoor te slapen, en word wakker van een jonge man op een brommertje die er langs wil. We praten. Het is een Albanese metselaar, pas getrouwd, onderweg naar een klus. Fijne ontmoeting, die je niet zou verzinnen.

  

Spoleto, werelderfgoed. Ik at mn broodje in een vies parkje tussen flats. De natuur van Franciscus is namelijk niet voor iedereen toegankelijk.

  

Boog van Drusus, Spoleto. Verderop Bar dei Artisti, waar de barman lekkere drankjes maakt en de bediening doet denken aan het meisje waar Bertus Aafjes zijn hart aan verloor onderweg.

  

20 mei, de ochtendklim boven Spoleto

  

De engste, maar bemoedigende, gebeurtenis: ik kies een route over Monte Fionchi, om weer eens een top mee te pikken. Ik zie een pittoreske schaapskudde. Helaas ligt er zo’n grote vuilwitte hond naast. Erger: als ik naderbij kom, komen er op de eerste blaf nog twee grote witte en een kleinere zwarte de hoek om sjezen. Geen herder. De grootste hond komt heel dichtbij, met angstwekkende grom en opgetrokken lip. Ik blijf staan en zeg ‘kom maar even snuffelen’. Daarna vertel ik waar ik heen wil. Uiteindelijk zeg ik ‘ga terug naar je kudde’, iemand imiterend die niet bang is voor honden. Het werkt, vooral het bezwerende ‘goedzo’ als de hond aanstalten maakt. Dat de hond dit pikt kan maar een ding betekenen: ik ben m’n angst voor honden kwijt. Als ze opgevoed zijn tenminste.

  

De top van Monte Fionchi, leuk extraatje, koud genoeg voor muts en jas.

  

Eveneens buiten de route: het eremo Giovanni Battista.

  

Ferentillo, 20 mei. Soms kom je helemaal in de verkeerde tent terecht. Niet voor de eerste keer wordt de rekening voor primi, secundo, dolce, vino, acqua en caffè naar beneden afgerond. dat lijkt gul maar is zwart.

  

18 mei, Eremo dei Carceri. Bidbankje, met het gezicht naar de muur bidden.

  

20 mei. Soms is water een probleem en moet ik doorlopen tot ik het vind. Nu was een bron al gevonden, maar duurde het een uur te lang voor ik een vlakke plek vond.

  

Leuk stel Nederlandse wandelaars ontmoet bij Don Bosco. Vooral de vrouw is vrolijk. Wel sjouwen ze vele liters water terwijl er echt wel water is onderweg. Voor de zekerheid, zegt ze. Zekerheid weegt.

  

Krijt.

  

Waterbak gevonden langs het pad, maar als ik de vlotter naar beneden druk komt er niks. Aha, onder het luik zit de hoofdkraan, die moet eerst open. (en later weer dicht natuurlijk)

  

Hotel Villa Tizzi in Poggio Bustone. Familiebedrij, alles zo hartelijk en gul. Maar de dochter wil er volgens mij niet mee door: de google marker staat verkeerd, niet op booming.com, niet op tripadvisor. En ik ben de enige gast. De vader bedient en is lollig: hij vraagt hoe ik de spaghetti bij het ontbijt wil hebben, carbonara of alla matriciana, ook om mijn italiaans te testen.

 

Het knettert

Ik had diverse reisdoelen. Van één ervan durfde ik te denken dat het de belangrijkste was. Die bereikte ik gisteren, na 2.370 km. Hoewel ik nog iets prevelde over je niet aanstellen, kwam er een golf, een windstoot. De reis balde zich samen in één kunstwerk: het leven van Franciscus zoals gevat door Giotto & co vlak voor het jaar 1300. Het is uitzinnig, vreemd, cinematografisch. Een waagstuk. En toen zei de Duitser (soms heb je een Duitser nodig om iets zeker te weten): ‘in Padua hangt een mooier werk van Giotto’, en ik dacht ‘hierin zie ik vogels, en architectuur, en landschappen, en de mens die worstelt. Ik zie hier wat ontwerpen kan. Hier zie ik kleur, patroon, abstractie. En een stripverhaal vol grapjes. Dit werk is voor míj’. 

Misschien is heiligheid een zinsbegoocheling, of een conventie. Ik geloof liever dat heiligheid, het boven-materiële, niets dan aandacht is. Pure toewijding. Een rijke opdrachtgever, tientallen assistenten, jaren werk en het vermogen van een getalenteerd mens om in beeld te vangen wat ons doet trillen. Die aandacht zit nu ín die kalk. Door eeuwenlange aanbidding en bewondering van duizenden is die lading vergroot (of de conventie gevestigd). Nu kom ik langs, zo toegewijd en ontvankelijk als ik kan, en knettert het op mij over.


(Duidelijk is bovendien dat de enige manier om het boven-materiële binnen onze wereld te halen de kunst is. Zonder kunstenaars van verhaal, beeld of gebouw zijn we blind en wordt alles plat. En wandelen? Da’s dan louter stappen zetten.)

 

(alle beeld uit wikipedia. De echte zijn metersgroot, prachtig van kleur en onreproduceerbaar. Gaat dat zien!). Franciscus ontvangt de stigmata. Hoe tekenen we dat? Jezus Christus verschijnt in een viervleugelig engelpak, en vanaf Zijn stigmata schieten stralen recht naar de handen, voeten en zij van Franciscus. Wát een vondst! En hoe de berg is weergegeven…

  

De droom van de vurige strijdwagen.

  

De droom van het paleis. Zie het knikkende perspectief.

  

De droom van Innocentius III.

  

Franciscus geeft zijn dure kleren terug aan zijn vader. De bisschop bedekt hem en je ziet iedereen denken ‘wat doet ie nou’ en roddelen. Vader moet worden weerhouden. Mensen keken gisteren tijdens de inslag van dit kunstwerk ook naar mij alsof ik afweek. Dat was ook zo. Ik was komen lopen.

  

Franciscus laat vuur ontvlammen om de sultan van Egypte, waar hij in 1216 was, even te laten zien wat zijn geloof vermag. Kruistochten-propaganda, lijkt me.

  

op weg naar Assisi, net de muts af.

  

Assisi ligt prachtig boven de Umbrische vallei.

  

Kamer met drogende tent.

  

Een jaguar verbleekt bij de Pauselijke Basiliek San Francesco.

  

De orde bij de minderbroeders wordt door militairen bewaakt. Die laten hun geweer graag zien aan vrouwelijk schoon.

  

Voor mensen die een stukje heiligheid willen meenemen, en daar geen geld of moeite in willen steken zijn er in Assisi tientallen winkeltjes.

  

1997, het instorten van het dak van de basiliek. De fresco’s daar zijn weer in elkaar gepuzzeld.

  

De fresco’s zijn voor iedereen. ( en ik ben stiekem aan het fotograferen)

  

Een siciliano en een rocciata. Onderzoek.

  

San Rufino Kathedraal (hier zetelt de bisschop)

  

Santa Clarissa

  

In de S Clarissa hangt deze crucifix, die op de Fresco’s van Giotto drie keer voorkomt.

 

Liefde tot

9 mei, half negen. Bij Eremo Camaldoli word ik binnengelaten door een monnik als ik vraag of ik ergens in het veld mag staan. Hij hoort me zeggen dat ik geen ‘vero pellegrino’ ben, maar hij ziet dat ik betoverd ben door het heilige Casentijnse bos en door het voorportaal van het klooster. De tranen lopen over mijn wangen. (Voor de droogstoppels onder u: moe en hongerig en lang alleen). Ik zei ‘ik ben niet religieus, maar voel het sacrale wel’. Hij zegt ‘wat er nu met je gebeurt, dat ís religieus, en alles wat wij in de kerk doen, de godsdienst, is er om het gevoel dat jij nu hebt te bereiken. Maar sommigen vinden de kerk bruikbaar, anderen niet’. Ik mag m’n tent opzetten binnen de kloostermuur. Ik durf me haast niet te verroeren. De kat komt langs, de klok slaat tien. Ik slaap tot zonsopkomst en woon de mis van zes uur bij. Ik hark daarna mijn bak pap naar binnen, leunend tegen een muur uit het jaar 1025. Man. 

Ik voel de laatste weken een onverwacht effect van de pelgrimstocht: de mensen zijn me lief. Ik ontmoet iemand, en ben m’n instant oordeel kwijt. Ik voel liefde tot die persoon en wil zeggen ‘wacht, kalm, ik vind je winkel niet slecht als je geen haver verkoopt, ik ben niet boos als je auto een stofwolk maakt, ik vind je niet dom of dik’. En die boodschap breng ik over met mijn ogen. En soms kijk je bij de ander binnen, en zie je een heel teer mens die het ook niet weet maar zó zijn best doet. 

Eremo Camaldoli. De monniken zijn hier ‘heremiet’, geen contact met buiten. Een deel van het terrein is toegankelijk voor publiek, met publieksmonniken zoals Axel, die mij binnenliet. Hij is hier al 13 jaar (en jonger dan ik).

  

Ik kom voor het eerst wandelaars tegen. Veel noemen zich direct pelgrim, ze lopen van La Verna naar Assisi, meestal. Dit is Ferdinand, 70. Geen ervaren wandelaar (hij glijdt net uit hier), maar wel een ervaren reiziger die eerst zelf kijkt, en dan eventueel een gids bekijkt. De populairste Duitse gids voor de Franziskusweg doet dat anders: voor de punktlichen onder ons is alles voorgekauwd totaan een motto voor elke wandeldag. Bescheuert!

  

Bij Chiusi La Verna (een klooster gesticht door Franciscus in 1216) is het bos weer sprookjesachtig.

  

Helaas is bij La Verna de heiligheid ver te zoeken. Maar eerlijk is eerlijk: het pelgrimssteunpunt verkoopt ijs, en dat heeft menig pelgrim nodig. (ik loop door)

  

Waar ze hier hun geld mee verdienen? De spullen staan er wel. Sorteermachine voor grind.

  

Na La Verna (10 mei) ga ik op 11 mei richting Sansepolcro. Kees Roodenburg, maker van mijn route, laat me hard werken, dagelijks 1500 hoogtemeters. Ook is het warm.

  

12 mei. Vanaf een schitterend kampeerplekje naast een kerk uit 1501 loop ik de vlakte in naar Sansepolcro. Het is een tuin, zo rijk. Hier planten ze tabak.

  

Sansepolcro (van de poster die ik op 23 februari fotografeerde in Aalsmeer) is de stad van Piero della Francesca. Hij schildert niet heel goed, maar zijn ideeen en composities zijn geniaal. Hier een touchscreen met 1 van de 22 panelen van de Madonna dei Misericordi.

  

Het beste schilderij ter wereld (volgens schrijver Huxley), is in restauratie. Ook hier: niet super geschilderd, maar de manier waarop Jezus als een kalme, heel soevereine Koning uit zijn graf stapt, is baanbrekend.

  

Deze foto kun je overal maken, maar ik maak m toch. Zo stil is het, 25m van de drukke markt in Sansepolcro.

  

De pellegrini-card. Waarschijnlijk voor buspelgrims, die heb je hier veel, italiaanse dames van 80 die naar Medzjugorje gaan.

  

Montecasale, klooster. Als ze anno nu beelden gaan maken van contemplerende monniken, dan is dat kitsch. Easy.

  

Ik maak fotos van ‘opknappertjes’, waar te romantisch ingestelde hollanders een bed en breakfast kunnen beginnen.

  

In overwoekerd Umbrië weet je: als je de route kwijtraakt… (ik zit hier nog op een soort van spoor, van links naar rechts)

  

Parochiekerkje ‘Pieve delle rose’

  

Soeplepels. Pas als het stormt, gaan ze draaien en gaan de belletjes rinkelen. Klopt: dit wegkapelletje vraagt Maria om jagers en paddestoelenzoekers te brschermen. Het zonnepaneel bovenop maakt stroom voor de LED-aureool van Maria.

  

Lange dag op 13 mei. Ik reken op deze bar/alimentari. Dicht!! Een vrouw roept van het balkon en doet toch open en maakt broodjes. Ze weet dat pelgrims zich graag speciaal voelen en zegt ‘ik doe alleen open voor pelgrims’, maar ik vind t prima als ze me als inkomstenbron ziet en als kans om van oud brood af te komen. De motorrijder na mij krijgt ook wat, maar dan gaat de deur echt dicht als er automobilisten komen. Het dier in de voorgrond is een zich uitrekkende haan.

  

Wind in de middag. Heerlijk.

  

Dit ís al een schilderij.

  

Ik ben appels zat. Overgeschakeld op tomaten en aardbeien. Appels transporteren makkelijk maar zijn in deze tijd natuurlijk oud, of van een ras dat de reis vanaf Nieuw Zeeland overleeft.

  

Gubbio viert een authentiek volksfeest op 15 mei. De eigenaar van restaurant Ulisse e Letizia is een waar ambassadeur en laat me een filmpje zien. Mannen dragen drie kaarsen in wedstrijd naar de top van de berg. De kaarsen wegen 490 kg. Hij heeft zelf 25 jaar meegedaan.

  

Gubbio ligt als een Game of Thrones stad tegen de berg. Je hoort de soundtrack erbij.

  

Koningsdag-effect: een dag tevoren trapjes met hangslot vastmaken om over de hoofden te kunnen kijken of filmen. Deze man heeft zn trapje met een touw aan de gevel gebonden.

  

14 mei avond: na gezelligheid met wandelaar Oskar maak ik me in de schemer uit de voeten. Het feest mis ik, terug naar de rust.

  

Bicina, het kerkje overeind gehouden.

  

28 graden, drukkend. Ik ging zwemmen in Lago di Valfabbrica. Toch maar niet. Typisch Italiaanse afvoerput.

  

13 mei, Pietralunga, 23 graden om 20.16. Real-Juventus gekeken in de bar.

  

14 mei, Gubbio. Deze man bukt even zodat je buurtheilige Petrus kunt zien. De koekjes zijn voor het feest op de 15e.

  

Ik nader Assisi op 16 mei. De pastoor dacht: ik wil het modern. Maar grafitti is lastig. God is nu een boze LSD-dealer, en Franciscus zegt ‘wat kan ik doen, ik heb geen bassist morgen’

 

San Perfecto

In Bologna draait alles nog meer om eten dan elders in Italië. De pasta bolognese móet verse tagliatelle zijn, en tortellini al brodo móet in een van kapoen getrokken bouillon garen. L’aperitivo wordt gemixt met hetzelfde religieuze fanatisme, vanaf 10u. En iedereen rookt. 

Eten is cultuur, en kan heel gezond zijn. Maar dit lijkt me een beetje verslaving, verdoving. Wat moet er verdoofd worden? De last van het onhaalbare vrouwbeeld Maria en het onbereikbare manbeeld San Perfecto, optelsom van alle heiligen?
Het was ook 4 mei. De oorlog in Bologna daar wend je liefst de blik van af. Zie verder de bijschriften aan t eind van de fotoserie. 

Ik was een paar dagen op de Grande Escursione Appenninica. Eten leek me daar erg zeldzaam. Dus ik had, geheel in de Schotland-modus, de rugzak verzwaard met 4 dagen eten, en volle brandstoftanks. De rugzak woog haast evenveel als die van een gewone pelgrim! Maar Klaas, op de kam van een berg is toch geen water? Ehm… ja. Water sjouwen vertik ik, dus dat werd op de kaart speuren naar bronnen, afdalen voor beekjes, of op een pas bijtanken bij een huis. Ging goed. Maar ik had de Italiaanse passie voor eten toch nog onderschat: op menig bergpas stond een goed toegeruste bar-ristorante. Met een eetzaal en een vitrine kaas, worst en zoete meuk. Ik at braaf mijn voorraadje leeg. 


Heerlijk, twee nachten een kamer pal in het centrum. Schoenen mogen buiten!

  

Bologna, trots, niet van plan te behagen, met een donker randje.

  

San Stefano, 350 nC – 1900. Zeven kerken door elkaar, uit alle tijden.

  

Piazza San Stefano, Bologna

  

5 mei, hup naar de fourniturenwinkel.

  

Morandi is een Bolognees, wist ik niet

  

Deze man moet en zal mij verse kruiden meegeven. Lachen.

  

Het is een mooi bloemetje.

  

50Cents is een nukkige tor.

  

Als je een paraplu ziet liggen bij een telecomtoren, moet je door de knieen voor een foto.

  

Weelderig, en alles ruikt zo lekker.

  

Echte Romeinse weg! Via Flaminia Militare, 187 voor christus.

  

Ik bezoek militaire begraafplaatsen. Het kost geen moeite om iemand van net 18 te vinden. Woont nog bij mama, is maagd, en nu doodgeschoten op heuvel X.

   

Klasse hoor, een gastenboek in zink. Monte Gazarro.

O hemel. Wordt het pad een beetje spannend, dan komen er (overbodige) kettingen. Jammer.

De groene heuvels vanaf Futa.

 

Nonna in de keuken in Monte di Fo.Vanaf de Passo della Futa daal je af naar Monte di Fo als je eten wilt kopen. De barman van de Albergo daar zegt echter ‘nee, hier is niets te koop hoor, je kunt wel wat brood van me krijgen’. Ik loop naar de naastliggende camping. Oude vrouw legt haar hand op mijn arm en zegt ‘jawel hoor, kom maar mee, we verkopen van alles, die barman kletst, hij is niet wijs’. Ik regel een douche, en vraag naar pranzo. Jahoor, dat kan, wanneer wil ik aan tafel? Een nog oudere vrouw gaat de keuken in (foto). Deze tagliatelle al ragù vergeet ik niet meer.

  

Prachtige flora. Maar soms werd het pad een tunnel van stekels, netels en teken. Veel teken, tientallen onderschept of verwijderd.

   

Passo Muraglione, motorwalhalla.

 

Op route ’00’ met Monte Falco in zicht. We klimmen van links af.

  

9 mei deels gewandeld met Daniele, de veel fruit bij zich heeft waardoor de lunch onverwacht rijk wordt. Hij neemt twee fotos per minuut gemiddeld, 557 totaal tot 15u

  

Op de top van Monte Falco (1658m) zijn de beuken laag en nog in knop.

  

Rifugio Citta di Forli wordt gerund door komiek Marco en bikkel-sloof Christina (beide met rood schort). Heerlijk italiaans gedoe over ontsnapte honden (die keren hier net terug), en eten, altijd eten.

  

In de rifugio is een Garibaldi-muur. De held van de Italiaanse eenwording (1861) is ook de held van het verzet, La Resistenza, dat voor een deel uit ‘Brigate Garibaldi’ bestond.

  

Zo’n eindeloos prachtig bos zag ik niet eerder.

  

Het Casentijnse toverbos.

    

Het laatste stuk naar Eremo Camaldoli, 9 mei. In de schemering geloof je in wolven.

   

Dit ga je niet googlen. In september 1943 viel de regering van Mussolini, en de Koning (Vittorio Emanuele III) sloot vrede met de geallieerden die net geland waren op Sicilië. Het Italiaanse verzet juichte. In Noord-Italie braken er veel opstandjes uit en bevrijdden sommige gebiedjes zichzelf. Partizanen. Veelal communisten, maar ook niet-gezagsgetrouwe katholieken, anarchisten, de hele zwik. 1) De Duitsers bezetten Noord-Italië. De even afgezette Italiaanse fascisten leefden op en vormden ‘brigate neri’, zwarte brigades, die onder de Duitse paraplu hun gang konden gaan. Er zijn foto’s van. Die wil je niet zien. Het pure kwaad. 2) de geallieerden rukten op tot 30 km voor Bologna. De Partizanen verzamelden zich in de stad, klaar voor opstand. Eindelijk! 3) de Duitsers brachten de Amerikanen tot staan in de Appennijnen en de Amerikanen verschoven daarop de aandacht naar Frankrijk. Winterstop. De Duitsers hadden mankracht om in Bologna de orde te herstellen, de Partizanen moesten tevoorschijn komen en de Brigate Neri waren smeriger dan ooit. De winter van 44-45 is een heel zwarte bladzijde hier. (Lijkt op o.a het niet innemen van Bagdad in 1991) Italië werd bevrijd. Maar heel anders dan Nederland. Er werden kinderen geboren uit verkrachtingen van Italiaansen door Italianen. De fascisten waren niet ineens verdwenen natuurlijk. De kerk had een ambigue rol. De koning werd weggestemd. Je zou het om minder op een collectief eten zetten. Maar goed, dat weet ik dus niet. Op 5 mei heb ik m’n vrijheid extra gevierd, dat spreekt voor zich. Bologna? De muur waar partizanen werden doodgeschoten is er nog. De toeristen zitten er te whatsappen over wat ze allemaal doen met hun vrijheid.

  

Executiemuur, Bologna, nu herdenkingsmonument.

  

Bar

Mensen zijn bezorgd. Of ik het wel volhou, of het niet saai is op de Povlakte, loop ik niet te snel? Ze zouden zich geen zorgen maken als ze mij waren. Ik zag de Povlakte als een gegeven, ik wist dat ik m ging oversteken. En ik ging er ook vanuit dat ik er wel weer wat in zou zien. Een heel ander landschap, met z’n eigenheid. Wel was er erg weinig te doen. Navigeren hoefde niet, ik volgde de Mincio naar de Po, en dan de Secchia bijna tot Modena, om dan af te buigen naar Bologna. De weg was recht. De weg was nooit krom. Ik wachtte lopend tot de boerderij, de populieren en de dijk mooi op de foto pasten. Ik rekende uit of ik voor het middageten ergens zou zijn. Maar als het dan warm wordt… Bar! De remedie tegen de hitte is simpel. Kom hier niet in de zomer. 

Ik vind lopen naar Rome heerlijk eenvoudig en best makkelijk. Een Italiaanse bar binnengaan, dát is moeilijk. Maar de stad in de avond met die mooie mensen is zo veelvormig en verleidelijk, daar moet ik wat van meehebben. Het aperitivo-ritueel is belangrijk, en geschikt voor de einzelgänger: begin, einde en wat je precies doet zijn niet erg duidelijk. Er staan hapjes (cibo), inbegrepen. Pranzo, het middageten, is ook fijn: het is losjes, iedereen moet eten toch, een zakenman (das los) een moeder, drie omaatjes. Dan kan ik rustig m’n schoenen losdoen. De ober roept de bestellingen door, en als ik wijn en water bestel en maar 1 glas heb, legt de buurman uit dat ik best nog een glas mag, maar dat het lekker is om wijn en water te mengen.
Maar ‘dineren in een restaurant’, ‘s avonds, dat doe ik dus niet. Want daar zit je dan. Langdurig, aan een tafeltje ‘da solo’ en tussen mensen die aan het uitgaan zijn. 
Ik heb de pelgrimsrust, de cool van de kilometers, de kop van zeventig dagen zuidwaarts. Als ik loop ben ik kloppend en veilig. Zou ik het willen geloven dat me ook niks overkomt als ik ‘s avonds een bar vol Italianen binnenga?

Mantova. De aankomst is nog wat morsig, met toegangsweg en tankstation, maar dan een kerk, en straten met het geluid van naaldhakken op rivierkeitjes. De harmonie die knokige, steeds weer opgelapte oude palazzo’s hebben. Dan ben je verkocht.

  

Op 30 april in de ochtend regende het hard in Mantova. Maar met de steentjes heb je geen last van water. Ik bezocht het Oalazzo Ducale.

  

Il Rotondo, een rond kerkje uit de 13e eeuw.

  

Alfredo Mantegna, fresco’s in de Camera Degli Sposi, Palazzo Ducale, 1464-74. Natte kalk dus he?

  

Markt in Mantova. Goedkope kleren, sjieke vrouwen die afdingen.

  

Het gerecht dat alle andere ingewikkeld maakt: Risotto alla Pilota (‘zoals de rijstplukker’), gezellig met een Mantovano aan tafel die me van alles uitlegd.

  

30 april, middag. Ik loop Mantova uit, loop scheef en kan dat niet rechtbreien anders dan door een 19e eeuws verdedigingswerk te doorkruisen. Met hekken, maar ook met zwervers, en die kunnen er altijd uit. Ik dus ook.

  

Blauwtje

    

Bekend kinderspelletje: de korrels van de halmen ritsen. 500x gedaan.

  

Mantovaanse keuken heeft 1 kerningredient: pompoen. Dat zit in de pasta, vers van de pasticceria. Aardbeien krijg je ook overal als toetje.

  

De Po bij zonsopkomst.

  

Vers gelegd fazantenei, op de weg nota bene.

  

Emmeloord, mijn geboortedorp, heeft een campanile naar dit model. Campana = klok, Campanile = klokkentoren, Campagna = waar de klok luidt (om werktijden aan te geven, in Zeeland en Vlaanderen zie je nog wel boerderijen met een klok er bovenop)

  

De startbaan van de modelvliegtuigclub van Quistello

  

Concordia sulla Secchia is in de steigers en aardig ontvolkt vanwege de aardbeving van 2012.

  

het decor van Novecento moet nog instorten, men is hier communist, met Leninstraat en al. Deze tuinbouw oogt wel wat modern, maar ligt 50-60 jaar achter op de Nederlandse. Zeuren over Nederlandse tomaten, of over de euro, helpt niet.

  

Aan de voet van de dijk. Populierenplantages vullen de oevers van de Secchia. Ochtend van 2 mei.

    

De pelgrim straalt!

  

In Casette, waar ik na lang ploeteren in de warmte aankom, is de bar wél open. Gerund door chinezen, dus ik bestel wat er niet op de kaart staat: hun eigen eten. Heerlijk!

  

Zeker 1/3 van de boerderijen staat leeg en op instorten. ik zie immigranten achter de ramen. Deze boerderij doet t nog.

  

Bij boer Gianfranco in Sant’Agata Bolognese. Fijn plekje, veel mini slakjes die je niet in mag pakken natuurlijk.

  

Pasticceria Dora in S Giovanni is geamuseerd dat ze op mijn kaart staan. Zo’n 6 meter koekjesvitrine, en 4 meter brioches. yum!

    

Deze plant grijpt alles. Als je een talud op of af wilt, grijpt ie je. Mijn kuiten zijn verbrand, maar vooral heel fijn bekrast.

 

Na 192 km in 5 dagen , en het bereiken van de 2.000 km nag de barman van Zanarini in Bologna zijn gang gaan. Hij maakt een gin sour met schuim van Montenegro en een geheimzinnig stroopje onderin. Hapjes horen erbij.

  

De Formule

De verhalen waarmee een godsdienst wordt verspreid hebben vaste formules. Een daarvan is die van de rijkaard die het licht ziet, al zijn bezit weggeeft en zijn verdere leven wijdt aan God, teruggetrokken in een spartaans onderkomen. Santo Romèdio is er zo een. Zo’n verhaal krijgt kleur door een anekdote die goed blijft hangen. In dit geval: “Aan het einde van zijn leven wilde hij nog eenmaal naar Trento en hij gaf zijn knecht (die had hij nog wel, de handigerd) opdracht om zijn paard te zadelen. Helaas, een beer verslond juist het paard. ‘Zadel dan de beer!'” En zo geschiedde. Kijk, dan is meteen het plaatje van de heilige ontworpen. Petrus heeft sleutels, Sebastiaan vier pijlen en deze Romèdio een beer. Onthouden!

Maar. Is het weggeven van al je bezit en je wijden aan het hogere, teruggetrokken in een kloostercel, zo bijzonder? Nee. Ik vat deze formule dan ook op, niet als een uitzondering, maar als een vóórschrift. Een man die geslaagd is, behóórt zich aan het hogere te wijden. En ik bedoel dan natuurlijk de letteren, de kunst, het onderrichten of fijnslijpen van een vak, of het richting geven aan al die mensen die de weg niet weten.  Geconcentreerd. Trouwens, om als ervaren man, vol wijsheid, in je eentje met God te gaan zitten praten, dat lijkt me onwenselijk. 
Naschrift 28/4: lopend langs het recreatielandschap van het Gardameer zie ik dat ook de mens die zijn leven wijdt aan het lágere, vertier, zich terugtrekt in een onderkomen (camper op genummerde plek, huisje) of klein gebied (pretpark, vakantiedorp). Die terreinen zijn bovendien degelijk omheind, zodat dit menstype niet in de verleiding komt de cel te verlaten en de open ruimte op te zoeken. Daar kan de pelgrim ongestoord die ruimte doorbanjeren zoals het hem uitkomt, vriendelijk knikkend naar andere ruimteminnaars. 
Overige dingetjes:
- de korte broek bevalt, ook op 1800 meter. Mocht het toch nat gaan sneeuwen, de lange onderbroek kan er onder, de regenbroek er over. In de regen (27/4) had ik alleen korte broek en t-shirt onder m’n regenjasje.
- ik loop niet snel. Ik loop misschien wel láng. Mijn dag begint om 5.45, lopen om 7, en kan tot 8 uur ‘s avonds duren. Dat is 13 uur! Daarbinnen loop ik dan 7-9 uur, en ja dat is 30-37 km plus de hoogtemeters. De rest gaat op aan smikkelen en kijken. 

En dan nu: de Po-vlakte. 

 

Italië-anekdote van de week: om 12 uur bij de kapper drink je wijn. Bolzano.

  

zo ziet de keuken er uit.

  

ik volgde deze week een alternatieve route. Niet de Via Claudia, maar een route door de Val di Non, de Valle Sarca en de oostkant van het Gardameer. Eerste ‘verlanglijstje-punt': het bedevaartskerkje Unsere Liebe Frau Im Walde. De ‘fanmail-muur’ voor Maria is enorm groot, wel 8x2m.

  

De Val di Non is glooiend, je loopt of over plateaus, of door de kloven die ze scheiden.

  

Santuario Romedio. Onverwacht opdoemend op een rots, nadat mijn ‘dan maar zo’-route een diepe kloof indook. Het greep me aan, met name de vraag boven twee poortjes op weg naar buiten: Tu, dove vai, waarheen ga jij? Om te leven, of te sterven (poortje kiezen)

  

Ik begon in Duitsland met mn belangstelling voor ex-voto’s. Die gingen over het bedanken van Maria als je in een put was gevallen en dat overleefd had. Deze is moderner!

  

Een dorpje, een kloof, en uitzicht op de Brenta Dolomieten.

  

Restaurants staan niet in de dorpen, dus ik moet bij een barretje vragen waar dan wel, en de Italiaanse aanwijzingen begrijpen. Beloning: lekker eten.

  

Prachtige groene bossen met beken en ook bruine beren.

  

Zo groen is het blad en zo bruin is mijn hand.

 

 

26/4: omhoog naar Monte Ranzo. Mooi stenig pad, goed gemarkeerd.

  

Het is doodstil. Ik ga door de poortjes.

  

Helleborus, boven 1.500 m.

  

Fijn Schots gevoel. Er waren zelfs sneeuwhoenders! Monte Ranzo, 1815m.

  

Monte Ranzo. Italianen hebben grote rugzakken. Daar zit in, ook voor de genodigde Hollander: 2 soorten brood, 3 soorten kaas, 2 soorten worst, speck, walnoten, fruit, twee soorten wijn, koffie en bittere chocola voor na, en armagnac voor daar weer bij. Ik kreeg een volledige lunch mee voor morgen. Ik applaudiseer voor de gastvrijheid, zij voor mijn projectje. Weer de sleutelvraag: wat brengt jou op deze onwaarschijnlijke plek, waar wij zo van houden?

  

Naar beneden naar Sarche langs een heel steil pad, gevolgd door een slingerende goot vol rollend puin. Nasty, maar wel eindigend bij een ijszaak.

  

Biotopo Marocche di Dro, postglaciaal puin.

  

Praatje gemaakt met een imker die zijn bijen bijvoerde.

  

Op naar Garda.

  

Het Garda meer bij Torbole. Al dagen broeit het in de lucht.

  

1250m hoger, 3 uur later: pas bij het vinden van water kan ik kamperen. Eerder niet. Ben dus opgelucht met deze bron (stond op de kaart)

  

27/4: geen beklimming van Monte Baldo, het giet. Voor het eerst ‘binnen’ inpakken en de binnentent lishalen om hem droog te houden.

    

Vuursalamander. Zit onbeweeglijk, maar is daardoor nog vreemder.

  

Malcesine, dodelijk verminkt door toerisme ben ik bang.

  

Pai, de oever. Het is even droog!

  

Golven van groen, kleddernat. Slakken patrouilleren.

  

Winnende ondertitel: pelgrim geeft alles weg en wordt toeristentreinmachinist.

  

Omheind en wel, onze vakantie.

  

Opa is weer de code van het hek vergeten. Hij wil ook zo vaak naar buiten!


   

Alto Adige

De mentaliteit, de rijstijl, de bordjes veel is echt anders dan in Oostenrijk. Mijn route is lastiger te volgen, over moeilijker paden met veel op en neer. Ik ben er heel blij mee. Intens wandelen (rare uitdrukking). De dorpjes zijn compact en best leuk, met veel meer barretjes enzo. Mijn Italiaans kruipt langzaam onder 6 weken Duits vandaan, ik lees de informatieborden eerst in het Italiaans, en ik mag spieken in het Duits. Nu ben ik in Bolzano, daar is Italiaans de grootste taal, maar als ik 5 seconden nadenk over een zinnetje, schakelt men naar Duits. Ik versta Italiaans behoorlijk. Net in het postkantoor alles in t Italiaans. 


Praktisch is Bolzano de overgang van koud naar warm. Hoewel ik de bergen nog wel inga, stuur ik lange broek, bodywarmer, overhemd terug. Mijn lievelingstruitje gooi ik weg, dat is na 22 jaar op. De rugzak wordt lichter, dus ik heb aquarelpapier gekocht. 

Met twee volgers heb ik een bijzondere band. Het zijn ‘professor Pim’ en zijn vrouw Hanneke. Beiden nieuwsgierig, En positief bezorgd. Ze vroegen hoe ik mijn dagelijkse planning doe. Mijn antwoord:
Ik bekijk pas als ik vertrek van de vorige plek waar het ‘koffiedorp’, het ‘lunchdorp’ of het ‘avondeten inslaan dorp’ liggen (misschien is er maar 1 dorp) en ik bedenk waar ik ongeveer uitkom en waar ik dus 2 liter water moet halen (om te koken). Meestal zie ik op de kaart dan een bos, maar de plek zelf herken ik pas op het allerlaatst. Zo’n bos kan half gekapt zijn, of met mensen aan her werk, dan verzin ik iets anders. Dat leidt wel eens tot een paar km te veel. Op de middellange termijn probeer ik te schatten wanneer ik een kamer met wasmachine moet boeken. De totaalafstand schat ik, en verdeel ik in stukken van 30km (de gemiddelde dagafstand). Ik sta nu op een camping, das ook wel fijn met een douche en oplaadmogelijkheid (heb 4 dagen stroom van accu en telefoon). 
(Vraag over kaarten)
Ik heb geen papieren kaarten, die zijn fijn plannen op een tafel, maar ik heb er tientallen van nodig. De kaarten in m’n telefoon zijn uitstekend, hier in Zuid Tirol heb ik 1:50.000 wandelkaarten van Kompass, waar alle routes die je in het veld aantreft opstaan. Eerder gebruikte ik OpenCycleMaps, ongeëvenaard precies, alles klopt. inzoomen tot 1:10.000. De Kompass kaarten heb ik met Viewranger (de navigatie app) gekocht, de OpenCyclemaps zijn binnen Viewranger op maat te knippen en te downloaden. Ik heb voor m’n kaarten dus nooit internet nodig. Ik heb routes van thuis meegenomen als bestand in dropbox, hier de Via Claudia Augusta wandelroute, straks naar Garda weer wat anders. Met de app kan ik routes goed meten, verleggen en vergelijken. 
De fun van echt puzzelen in het veld is weg: ik verdwaal niet. Bij verkeerd lopen ga ik zelden terug, maar maak ik een nieuwe route die verderop weer aansluit. Ik neem ook alle vrijheid voor aanpassingen. 
Regen: ik heb geen regen. Haha. Als het buien zijn, blijf ik even binnen, in droogte opbreken is wel zo fijn. Heb rond 31/3 slecht weer gehad, ik loop dan eerder meer dan minder. 

Tot zover!
 

Op de Reschenpas (1455m), 500 meter binnen Italié).

  

Doet me aan de Ullapool Sailing Club denken.

  

En ik maar denken dat er een verdronken kerk in het stuwmeer stond. Maar het is alleen een toren. Gefotografeerd vsnaf een droogliggende landbrug.

  

Leest allen de boeken van Gerrit Jan Zwier.

  

Zwier definieerde het Noordelijk Gevoel. ik lijd daar ook wel aan, dus ik vind dit kleurenpalet prachtig.

  

18 april, boven Mals op een afgesloten graspad. Mijn eerste aanraking met de autoriteiten: er kwam een jachtopziener. Ik vroeg gedwee ‘was halten sie davon’ maarhij zei ‘guat, schon guat’ en was natuurlijk op zoek naar echte overtreders van echte wetten.

  

De hoogste berg in de omgeving: Ortler, 3905m in mooi ochtendlicht.

  

De wandelroutes zijn genummerd, en die nummers staan op mijn kaart en meestal op de bordjes. Soms gaat het op zn Italiaans.

  

De hellingen van de Val de Venosta, de Vinschgau, zijn kurkdroog, want middenin de Alpen komt geen enkele regenwolk er vol aan.

  

Daarom is er een systeem van Walen, die beekwater verdelen over dehellingen. Heel ingenieus en wondermooi. Hier nabij Schluderns.

 

Een raster van palen en hangende stokken, straks planten ze de appelboompjes.

Oranjetipje

   

Ik volg vaak maar twee of drie routes per dag, makkelijk navigeren, als je de merktekens kunt vinden.

  

Het kerkje van St Egidius. Helaas dicht.

  

En ook nog drystone walls.

  

De boomkweker stookt snoeisels in zijn houtkachel.

    

Beregenen gaat ‘s nachts

  

Heerlijk lopen door geurende boomgaarden, maar soms vervelende dingen op ooghoogte.

  

De paden duiken soms hard op en neer.

 

 

Net na het oversteken van deze steenlawine hoorde ik van de locals dat ie twee dagen eerder nog bewogen had. In Duitsland waren de bordjes overdreven, maar in Italië kloppen ze, deze plek was niet voor niets afgezet.

  

Gemengd bos is prachtig als het uitloopt. De bergen horen bij de Tessa/Texel groep. Kalk, niet zo hoog maar wel erg ruig.

  

Dinsdag 21 april: bij Lana even uit de route gestapt voor een dagje Bolzano. Korte broek kopen. En als dat gedaan is, pranzare.

  

Een man met een lichte rugzak en heel uitgekiende uitrusting vond 5000 jaar geleden de dood. Hier ligt hij opgebaard, je kunt de tatoeages op zn huid nog zien. Ötzi.

Bij een pizzeria ontmoet ik drie grafisch ontwerpers, die me meenemen naar een test van projecties die ze maakten voor het moderne kunstmuseum. Geinige avond.

  

No guru

No Guru No Teacher No Method. Mooie albumtitel van Van Morrison. Ik was in een niet erg gelukt stadje, Imst. Ik luisterde een andere plaat van hem, gezongen vanuit het hart, vanuit iets lager nog misschien. Of doe anders Neil Young als voorbeeld, die het bespelen van zijn gitaar nooit aan zijn verstand zal overlaten. 

Het wandelen heb ik meegekregen van mijn ouders. Kamperen ook. Dat opportunistische aan elkaar knopen van routes, het wildkamperen en het doorkruisen van lege stukken land, dat heb ik van niemand geleerd. Goeroes genoeg, maar ik put her en der wat uit bedachtzamer bron, Hamish Brown bijvoorbeeld. Teachers, eentje dan: Winky, die me op de Skye Cuillin leerde om me op te stellen als een “nimble, lightfooted ninja.” Wees nederig en licht, maar rijg ze aan je zwaard als je de kans krijgt. Kill. 
Method. Ik heb wel een systeem. Dat is deels omgezet in routine (ik kan zonder licht, in de regen, opbreken zoals een soldaat z’n geweer kan monteren) of in voorbereiding (ik heb na 25 jaar een kloppende uitrusting). Ligt de basis er, dan lijkt ‘niet nadenken’ voor het vervolg de beste oplossing. Óp dat systeem. 
17 april dan. Tussen Altfinstermunster en Nauders moet je de bus nemen, zo is vastgesteld. De hellingen zijn steil, de begroeiing ruig, de autoweg te gevaarlijk. Ik wist zeker dat je ook kon lopen, en dat dat ook gedaan werd door anderen. Dus zei ik ‘terug kan altijd’ en vond een route. Prachtig, over in onbruik geraakte wegdelen en door een tunnel uit 1854, maar ook 75m op handen en voeten steil omhoog. Dat noemde ik altijd knoeien, maar het is als lego-en, met niet het rationele nadenken als basis maar het zekere gevoel van ervaring en beoordelingsvermogen. Wéten. 
Een gems schrok op en een slechtvalk kekkerde, ik liet het gebeuren en stond ‘plots’ op het paadje naar de uitgang, bij de Festung Nauders. Hell yeah. Zo werd Oostenrijk op de valreep nog smakelijk. En ik opgewekt. Opgewekt uit de sluimer van de rechte paden. 
 

Maandag 13 april Oostenrijk in, met mijn vader (71). Leuk dagje.

  

De dichtheid van kruisbeelden neemt toe.

  

Hier stonden we 34 jaar geleden ook. ANWB-erkend, gevuld met winterharde caravans. Fijne douche.

  

Zugspitze bij Lermoos, en het fijne oostenrijkse systeem: geen route amen, maar plaatsnamen.

  

Ja, er lag wel eens 60 cm sneeuw opweg naar de Fernpass, maar dat was geen probleem. Wel nat.

  

Op de Fernpass. Fijne uitzichten.

  

Erg wennen aan het kaartbeeld van Kompass. Veel minder detail natuurlijk dan de inzoombare OpenCycleMaps

    

Een teder landschap, bij Dornitz opweg naar Imst op 15 april.

  

Sint Christopher is de populairste heilige, beschermer van lange-afstandslopers, met boom in de hand en het kindeke op de schouder.

 

Ik ging óver de snelweg E60, maar ik moest nederig zijn en er onderdoor, door een tunneltje van 1,80m

Schoenen wisselen om de nieuwe in te lopen. maar al in Landeck heb ik de oude weggegeven aan zwervers.

  

Landeck, lente

  

Aan het zeuren over te makkelijke paden? Hier! Pak aan!

  

Dit is tuttig, en ook vaag. Menig wandelaar die het best kan, keert terug, de zelfoverschatters lopen door.

  

De Schanklbach, Zwitserland in. onbegaanbaar.

  

Oude grensovergang Oos-Zwi bij Altfinstermunster.

  

De bordjes zeggen niets, maar als je ver genoeg doorloopt achter die boomstammen, kom je op een echt pad.

  

En dat brengt je hier: een tunnel uit 1854, en een recenr buiten gebruik gesteld wegdeel.

  

Links omhoog onder de boomstam door. De gems op de foto vind je niet.

 

Uitweg naast de moderne weg, Festung Nauders in zicht.

Behoorlijk onder de indruk.

 

Plekje 500m Italië in, kijkend richting Italië.

Gewoon doen zoals een 8-jarige het doet.

Het namaals is híer

Ik loop niet meer van huis af, ik loop naar Italië tóe. Ik kan de dagen die verstreken zijn niet meer zomaar nalopen, en een flink deel lijkt al eeuwen geleden. 
De praatjes die ik maak met de mensen worden er grappiger op: ‘naar Rome lopen’ klinkt pretentieus, maar als je al bijna 50 dagen achter je hebt, kijken de mensen er anders tegenaan. Soms word ik gezien als een werkelijk vreemde, een reiziger waarvan verwacht mag worden dat hij met kalme stem onvoorstelbare helderheden uitdeelt. Daar wil ik best aan mee doen, maar liever wil ik weten hoe oud dat tractortje is, hoe het zit met die houtstapels, of waar de bio-zaak is, voor m’n verdammt gesunde groentesapje. 
De route naar Augsburg, oei, laat ik het ongeïnspireerd noemen. De stad maakt dat ruimschoots goed. Geweldig. Terrassen! Sleutelrol speelt de familie Fugger. Rijker dan de Medici, natuurlijk door de pauselijke en keizerlijke financiën af te handelen en oorlogjes te financieren. Dat zal niet helemaal netjes gegaan zijn. We zijn er nogal kritisch op, banken, graaien, smeergeld, maar er is een stok achter de deur: het hiernamaals. Komt het einde inzicht, dan gaat het geld naar goede werken, wil men inspireren. Want je wilt in de hemel komen. Ook nu nog, al is het hiernamaals tegenwoordig gewoon hier benee: hoe wil je herinnerd worden? 
De tweede hoofdfiguur in Augsburg dacht daar niet over na toen hij pal achter z’n 95 stellingen ging staan. We kennen hem allen: Luther. Tjee, wat een kerel. 

Mag ik in dit verband ook even een liedje aanraden? ‘Death to Everyone (will come)’ van Bonnie Prince Billy. ‘Cos life is long, and tremendous’. 

 

Vanaf Donauwörth, waar ik voor Pasen gebleven was, door akkerland zuidwaarts. Met groentesap.

  

Ik eet elke dag gevulde pasta in bouillon of restje groentesap, hier met gedroogde paddestoelen en erover geraspte kaas

  

In bos geslapen. Ouder productiebos, daar komt de ochtendzon zo mooi door. (7 april, nachtvorstje)

  

Druisheim, piepklein kerkje met lekker vette 3D barok.

  

Ex-voto’s, heerlijke huisvlijt waarmee men genezingen toeschrijft aan iets heiligs.

  

Augsburg. Hoofdkantoor MAN, opgericht door Rudolf Diesel. Ik dacht dat Augsburg niet gebombardeerd zou zijn, maar met ook de Messerschmitt fabrieken in de stad kan dat niet uitblijven.

  

Hans Holbein, veel panelen in de Dom. Wow.

  

Hét portret van Luther. Door Cranach de Oudere. De andere man is zijn keurvorst. Luther had zo dik gelijk, dat binnen de kortste keren de hele duitse kerk hervormd werd, met steun van de machthebbers.

  

Luther’s hervormingen waren nog niet bedachr, of Jakob Fugger de Rijke liet dit sociale woningbouwproject bouwen, toch zo’n 350 jaar voordat het mode werd in NL. Actuele huur € 0,88 per jaar.

  

8 april Ik kom Augsburg niet uit zonder een terras, en de Sankt Ulrich, zo’n fijne multi-tijdperken-stapelkerk.

  

Bevers. Effe n boom omknagen. Overal langs de Lech.

  

Dat groene stuk ondertapijt, dat ligt er voor mij! Dutje!

  

Eén van de 3 mooie plekjes langs de Lech. Met vastvriezende ochtendnevel, had ik kunnen weten.

  

Schlemmerkuchen, halve taart voor € 1,80. Jahoor.

  

10 april, Felser Hütte balkon. Ineens denk ik: tijd om te schilderen!

  

Bluf: top-uitzicht, Beierse vlag, maar die slaapzak zo, dat is niet prettig met knaagdieren in de nacht. Dus tent erover, later.

  

Lech-höhenroute. Weer veeel verschil tussen de meegenomen track en de paden op de grond. Wel leuke route.

  

De Lech is tam van de stuwdammen nu, maar nog in 1911 was het een rauwe, dynamische vlechtende rivier.

  

Een landschap met zo weinig elementen. Knalgroen gras, dennebomen, schuurtjes, weggetjes. En tienpersoons-kerkjes.

  

Alle drama van lokatie en architectuur uitgemolken. Schloss Neuschwanstein, beter bekend als het origineel achter het Disneykasteel.

  

Zoek altijd de alternatiefste tent. Ze hadden bietensalade, ik wilde soep. Hebben ze de salade in soep veranderd. Knap en lekker.